Van Dalen buigt het hoofd, staart naar de grond. Eli vervolgt: ‘Ik mag toch aannemen dat vader zaliger het bedrijf niet in deze toestand achrerhet?’
Nog steeds zwijgt Van Dalen. Gedachten stormen door zijn hoofd. Dan kijkt hij op naar Eli de Fuentes. Plotseling staat hij voor zijn stoei, knoopt zijn jas dicht en vouwt de handen op de rug. Van Dalen, de oude, beheerste zakenman, herleeft. ‘Mijnheer de Fuentes, ik sta op een keerpunt in mijn levep. Ik kan spreken of stilletjes het toneel verlaten. Ik heb het eerste gekozen om voor de rest van mijn leven te kunnen teren op mijn fatsoen.’
Eli trommelt nerveus met de vingers op het tafelblad, zijn hoffelijkheid doet hem nog zwijgen. Van Dalen ziet het.
‘Mijn persoonlijke gevoelens interesseren U met. Ze zijn echter onverbrekelijk verbonden met Uw welzijn. Ik kan twee dingen doen, mijnheer Eli. Ik kan alle schuld op mij nemen en U in de waan laten, dat ik in één jaar Uw zaken verprutst heb. Maar ik prefereer U te zeggen dat de huidige toestand zijn oorzaak vindt in het beleid van wijlen Uw vader na de dood van mijn geëerbiedigde patroon, mijnheer Van Siiedrecht.’
Eli richt zich half op in zijn stoel.
‘Van Dalen, laat de doden rusten. Zij kunnen zich niet verweren.’ ‘Mijnheer, Uw vader regeerde het bedrijf als een vorst. Een absoluut vorst die geen rekening en verantwoording wenste af te leggen over zijn koninklijke dure gebaren. U bent zijn zoon en uit zijn school. En ik zie dat deze grootse gebaren worden voortgezet in een tijd, welke dit niet meer toelaat. In dit gebouw ligt mijn leven. In Uw onderneming is mijn werkkracht gekristalliseerd. Ik kan het nauweiijks verslikken dat de voorbije jaren ten onder gaan in een ijl niets. Ik kan de belofte aan de stervende heer Van Siiedrecht met vergeten om over zijn schepping en over U te waken. Daarom moet ik U pijn doen door het schone beeld dat U van Uw vader voor U ziet aan te tasten. Tetwiile van Uw toekomst, Uw leven, Uw erfenis.’
Verbaasd en stil kijkt Eli hem aan. In het vuur van zijn betoog ijsbeert Van Dalen door het kantoor, de handen op de rug, soms nerveus trekkend met de mondhoeken, bij tijden friemelend aan het halsboord.
Eli vraagt:
‘lloe was onze toestand toen vader stierf?’
251