‘Ik dacht er goed aan te doen, om met voortvarendheid te handelen. Bovendien was het tijdstip van Uw terugkeer vaag, haast onbekend.’
‘Mijnheer Van Dalen, hebt U onder mijnheer Van Sliedrecht of vader, zelfstandig over dergelijke opdrachten mogen beslissen?’ ‘Neen.’
‘Dan zal ik U eens wat vertellen, Van Dalen. U wilt op de achtergrond dit bedrijf beheersen. U heeft blijkbaar nog het idee met een kind te doen te hebben dat zich gemakkeli|k naar Uw oude ervaring schikken zak Welnu, vergeet dit voorgoed. Ik ben hier heer en meester. En ook Uw broodheer. Wilt U dit altijd in het oog houden?’
Van Dalen zwijgt. De gehele geschiedenis flitst door zijn hoofd en de spijt vreet hem aan, spijt over het weggooien van zijn eet, welke niet hersteld werd door het terugbetalen van de omkoop-som. Maar terwijl hij daar zo staat, ontwaakt ook een herinnering. Hij denkt aan het vertrouwen van Isaiic de Fuentes; dat grote vertrouwen dat hem eens met een goudzending naar Rijssel voerde om het huis Davidson te redden. Herc God, en nu staat hij hier als een kwajongen voor dit volwassen kind. Een kind dat hij aan de hand heeft mcegevoerd langs kaden en werven en schepen. Eerst vaag, dan harder en luider schreeuwt de trots in zijn binnenste. Roept het in hem, dat hij zijn misstap toch heeft hersteld. En dat hij geen bootwerker is die men dreigt met ontslag. Hij kijkt op naar Eli de Fuentes, naar de koele grijze adelaarsogen, die hem aldoor observeren.
‘Welnu dan, mijnheer Eli, wees dan heer en meester. Maar niet over mij. Na Uw trouwen zal Uw eerste zorg zijn om een nieuwe eerste klerk te zoeken.’
Eli zwijgt. Het snelle, koele verstand werkt en het beseft dat het deze ervaren kracht nog niet missen kan.
‘Is dit ernst?’
‘Inderdaad. Wijlen Uw vader en mijnheer Van Sliedrecht waren broodheren. Een woord, dat in hun tijd en bij hun allure paste. Bij U niet, want U bent te jong.’
‘Vergeet niet, Van Dalen, dat U nog in ondergeschikte positie staat.’
‘Dat wil ik nu vergeten. En ik wil U waarschuwer en zeggen dat het leven een patroon maakt en niet de geboorte.’
‘Wij hebben elkander niets meer te zeggen, mijnheer Van Dalen.
246