Eli schrikt.
‘Ik zal wel even bellen.’
Hij grijpt het beilekoord naast de schouw en sonoor klinkt de bel in de gang. Annetje, het eerste meisje, verschijnt en Eli bestelt thee met cake.
‘Is je huishoudster uit, Eli?’
Eli kucht.
‘Juffrouw Vlielander heeft vanmorgen mijn dienst verlaten.’ ‘Waarom?’
‘Ik weet het niet.’
‘Eli.’
‘Wat is er?’
‘Eli, wat is er met Geesje Vlielander?’
‘Ik weet het niet.’
Nerveus staat Treesje op en drentelt door de kamer, de handen ineengestrengeld zodat haar vingers kraken.
‘Vertel mij de waarheid.’
‘Ik heb geen onwaarheid gezegd.’
‘Misschien niet, maar je verzwijgt iets voor me.’
‘Wat ik verzwijg, moet ik verzwijgen.’
‘Was Geesje Vlielander je...’
‘Zij was het niet, zij wilde het worden.’
Lang kijkt Treesje naar Eli. Naar zijn aristocratengezicht, zijn koele, grijze ogen, naar het nerveus trekken van zijn mond. En zij ziet dat hij eerlijk is zoals altijd. Zij gaat op de leuning van zijn stoel zitten, zoent zijn hoofd, dat nu in haar armholte ligt. En terwijl zij hem streelt, komt weer de gedachte aan Willem Honing. Eerlijk vecht zij ertegen, zij overwint niet.
‘Ik begrijp nu waarom wij spoedig trouwen,’ zegt zij zacht. Annetje klopt. Treesje springt cp en is met één stap bij het venster, met de rug gekeerd naar Annetje, die geruisloos het theeblad en de schaal met cake op tafel zet. Schichtig kijkt Annetje naar Eli, naar de zoom van Treesjes crinoline om dan haastig de kamer te verlaten.
Nog steeds voor het venster staande, de rug naar Eli gekeerd, vervolgt Treesje.
‘Heb je plezier gehad, gisteravond?’
‘Och, plezier. Je weet, ik houd niet van groot gezelschap. Bovendien heb ik mij wel wat geërgerd aan Davidson. Wat interesseren mij zijn persoonlijke belevenissen.’
244