heeft het koele verstand zijn lichaam beheerst. Hij zet de blaker op het kastje, sluit de mantel en leidt haar linkerhand weer naar haar borst. En Geesjes vingers grijpen met stalen greep de mantelstof, sluiten de mantel dicht, strak over de felle borsten. Dan draait Eli zich om, gaat zijn kamer binnen, de kaars bij Geesje achterlatend. De gesloten deur brengt Geesje tot zich-zelven. Langzaam, het hoofd gloeiend van schaamte en teleurstelling, bestijgt zij de trap naar boven. Wel een uur zit zij dan nog op de bedrand.
Die nacht schreef Eli aan zijn tafelsecretaire een brief aan Treesje en deelde haar mede dat dc bruiloft over veertien dagen moet plaatsvinden instede van in Mei, zoals was afgesproken. En heel vroeg in de morgen verliet Geesje Vlielander het huis. Geen briefje liet zij achter, maar in de ochtend zond zij een kruier om haar gereedstaande valiezen te halen. De dienstboden vroegen de man nieuwsgierig uit, maar hij kon slechts mededelen, dat de joffer om twaalf uur met de postkoets naar Amsterdam zou vertrekken, om van daaruit naar Friesland te reizen, waar zij geboren was.
Toen Treesje het briefje van Eli gelezen had, speelden vele gedachten door haar hoofd. Eén overheerst en dat is het verlangen om voor haar trouwen Willem Honing nog eenmaal te zien. Zij herinnert zich de uitnodiging van Jozef Davidson en daarom spoedt zij zich die zelfde middag nog naar Eli. Zij vindt hem nerveus, zittend in zijn vaders stoel aan het middenvenster van dc woonkamer die uitziet op de Maas.
‘Eli, ik vind het natuurlijk goed om spoedig te trouwen, maar ik vrees niet op tijd gereed te kunnen zijn.’
‘Dan zal ik extra geld geven. Tegen betere betaling zuilen de leveranciers alles op tijd in orde hebben.’
‘Waarom ineens dit besluit. Zo plotseling na ons gesprek van gisteren?’
Eli zwijgt. Argwanend kijkt Treesje hem aan.
‘Is er iets?’
‘Neen, er is niets. Ik heb alleen beseft dat het geen doel heeft langer te wachten. Wij zijti reeds drie jaar verloofd.’
Treesje staat op.
‘Goed dan, jongen. Zal ik nu maar thee bestellen bij juffrouw Vlielander?’
243