‘Mijnheer Willem Honing, civiel ingenieur.’
Eli knikt nadenkend en zegt:
‘Ja, ja, ik geloof dat ik hem ken. Bouwt hij havens in Afrika?’ ‘Zeker, zeker, dat is hij,* beijvert zich Jozef.
Triomfantelijk kijkt Jozef naar Treesje, als een kind zo gelukkig met deze vriend te kunnen geuren. Treesje zit rechtop en wit, haar grote ogen staren verschrikt naar Jozef. Eerst is Jozef beduusd door het veranderde beeld van het lieve meisje, dat hem nog steeds aanstaart zonder hem te zien. Heel langzaam daagt het in Jozef en opeens, als een slag in het gezicht, beseft hij dat Treesje Willem Honing kent, zelfs heel intiem. Terwijl hij met zijn hand nadenkend langs wang en kin strijkt en wetend naar Treesje kijkt, knikt hij haast onmerkbaar. En Treesje wordt koud tot in haar gebeente. Bij het afscheid, even na middernacht stond Treesje een ogenblik alleen tegenover Jozef Davidson. Op effen toon zegt hij:
‘Ik zou mij gaarne revancheren. Wellicht past het U en Uw verloofde mij een tegenbezoek te brengen in moeders woning. Ik wil die avond nog enige vrienden vragen, waarbij de gemeenschappelijke kennis van mijnheer Eli en mij.’
‘Nee,’ zegt Treesje fel, ‘wanneer wij komen, dan gaarne alleen.’ ‘Wilt U mijn vrienden niet leren kennen?,’ fleemt Jozef.
‘Neen,’ herhaalt Treesje enigszins schor.
‘Zoals U wilt.’
Jozef boog en ging. Zijn ogen gloeiden.
Stil is Treesje met tante Jannetje in Eli’s rijtuig gestapt. En voor het eerst in haar leven was Treesje alleen met haar geestelijke nood. Want zij durfde tante Jannetje niet te storen; Jannetje, die afwezig uit het heden, in haar verleden leefde.
Diep in de nacht stond Geesje Vlielander op van haar bed. Zij hield haar polsen in het koude waswater en bette haar brandend gezicht. Zij heeft nog niet geslapen, het kookt en bruist in haar, zodat haar verstand is beneveld. Zij doet haar nachtjak uit en haar slaaprok. Zij ziet haar lichaam in de hoge spiegel, zacht beschenen door de kaarsen van de luchter, die zij in de hand heeft. En zij ziet haar welgevormde benen, de zachte bpog van haar dijen, vanonder het korte hemd. Als in koorts neemt zij een lichte mantel uit haar kleerkast en opent zachtjes de deur naar de gang. Het bonst in haar hals, haar hoofd gloeit en zij hoort het ruisen
241