reactie op Treesjes heftigheid van die namiddag. Jannetje zegt niet veel, alleen het uiterste dat de etiquette vereist. Zij denkt aan weleer en mijmert weg. Zij ziet Isaac weer zitten op Eli’s plaats en Eli als kleine jongen naast haar; om hem te kunnen helpen bij het eten. En zij hoort weer Isaacs diepe bariton, die met elegante spot een belevenis kon vertellen. Zij ziet de vroegere dienstmeisjes inplaats van de nieuwe; die volgens haar instructies serveerden. Er waren warmte en innigheid in deze kamer en de koude welke opeens in Jannetje opstijgt, langs armen en rug, is ijzig. Niemand hoort het stille gebed dat zij denkt terwijl zij de ogen even sluit:
‘Here, Here, ware het niet om mijn zoon, ik zou liever gaan van deze aarde. Want ik heb genoeg.’
Jozefs brandende blikken zijn haast voortdurend op Treesje gericht. Nerveus schuifelt zij op haar stoel en kijkt schichtig en hulpzoekend naar Eli en tante Jannetje. Maar Jannetje leeft in het verleden en Eli is druk in beslag genomen door zijn plichten als gastheer welke hij nauwgezet vervult. En zo wordt Treesje stiller en stiller.
Dan begint Jozef een gesprek met haar. Hij praat over dagelijkse dingen, langzaam overgaand tot zijn eigen leven. Zijn doen en laten, belevenissen in Amerika. Heel langzaam plaatst hij zich in het middelpunt. Hij vertelt van zijn amusementen, ook van het laatste bal in de Nutszaal. Hij ziet de schrik nog niet welke als een vlam door Treesje slaat, omdat zij zich meesterlijk beheerst. Steeds driester wordt zijn vertelling, grover de openbaring van zijn vermaken. En dan komt hij tot een avond, dat hij uitging om zijn zinnen te verzetten na een zware werkdag en een woordenwisseling met zijn moeder. Trots lachend vertelt hij dat hij iets te veel dronk en slaags raakte met een matroos. En dat hij na zijn roes wakker werd in een heerlijk bed in een prettige woning. Met grote voldoening voegt hij eraan toe, dat de barmhartige Samaritaan die hem meenam en verzorgde, thans een van zijn goede vrienden is geworden. Treesje heeft maar half geluisterd naar wat hij vertelde, zo was haar innerlijk in gevecht met deze hete, donkere ogen. Haar vuistjes liggen gebald in haar schoot en zij moet zich zeer beheersen om di e ogen tegenover haar niet te beuken en te beuken. Eli heeft het laatste deel van Jozefs verhaal gevolgd. Terloops en beleefdheidshalve vraagt hij de naam van de weldoener; misschien kent hij hem ook. Vol trots antwoordt Jozef:
240