Die stille, correcte, oude dame, die haar vak verstond als geen ander? En deze huisknecht? Isaac de Fuentes had geen huisknecht. Onwillekeurig schudt Jannetje het hoofd, sluit even de ogen. En zo ziet Eli’s nieuwe huishoudster dit rechtschapen gezicht, dat met gesloten ogen geheven staat naar het kaarslicht, als in overgave voor Gods troon. Als Jannetje de ogen weer opent en de huishoudster bemerkt, verandert de zachte grijze ogenkleur in een fel blauw. Haar blik boort met ingehouden drift en de huishoudster slaat de ogen neer. Opeens is haar zelfbewuste houding weg en voelt zij zich schuldig aan iets dat zij niet definiëren kan en waardoor zij nu haar vrijheid aan jannetje verliest. Het is daarom dat zij haast onderdanig vraagt:
‘Is mevrouw niet wel?’
‘Zo wel als een mens kan zijn, die zijn verleden bezoekt.’ is Jannetjes antwoord.
‘Mevrouw, ik heb argeloos deze betrekking aanvaard.’
Jannetjes ogen worden milder. Zij zegt:
‘Ik geloof U, mejuffrouw. En de huisknecht?’
‘Hij ook, mevrouw. Maar het is een man.’
De huishoudster zucht. Jannetje glimlacht.
‘Is zijn ijdelheid zo groot?’
‘Het is een voortdurende strijd tussen hem en mij. Wie regeert het huishouden. De jonge mijnheer heeft geen richtlijnen gegeven. Ik geloof dat het in Uve tijd anders wras.’
‘In mijn tijd was er geen huisknecht en de richtlijnen waren duidelijk. Ik was de huishoudster.’
Dan vriendelijker vraagt Jannetje:
‘Hoe is Uw naam?’
‘Geesje, Geesje Vlielander.’
‘Hoe oud bent U?’
Geesje staart naar de grond. Zij strijkt met de handen nerveus langs haar schortje, antwoordt:
‘Twee en dertig, mevrouw.’
Jannetje kijkt haar lang aan.
‘Geesje Vlielander, ik was veertig jaar toen ik mijnheer Isaac dc Fuentes ging dienen. En hij was vijf en vijftig. Wij wraren beiden vrij en ik werd juffrouw Batciaan Mijnhec. Eli is drie en twintig, nog haast een jongen en zijn aanstaande vrouw is nu beneden, bij hem. Ik geloof, dat het goed zal zijn, indien U zeer spoedig een andere huishouding gaat leiden.’
237