Reeds vroeg in de volgende dag ging Jannetje Batelaan naar haar neef Klaas de Niet. Jannetje haastte zich niet. Zij genoot van de vroege Meizon van dit jaar 1857. Zij genoot van haar lichte wandeljapon, van haar nieuwe kleine hoedje, dat achterop haar welige zilveren haren stond. Menig oudere heer keek tersluiks naar haar statige frisse verschijning en nam diep zijn hoed voor haar af. Ofschoon slechts enkelen haar kenden.
In het donkere pakhuis verschijnt zij als een lichtende zon en Klaas de Niet schrikt. Onmiddellijk nodigt hij Jannetje uit om mee naar boven te gaan voor de morgenkoffie. Maar Jannetje weigert en zegt:
‘Klaas, ik wil Wijbrechje niet zien. Tot op de dag dat Wijbrechje haar verontschuldigingen aan Trees je zal hebben gemaakt, tot die dag zal ik je woning niet betreden.’
‘Tante, wat moest ik doen?’
‘Ik weet Klaas, dat het moeilijk is zijn vrouw af te vallen. En ik zou je ook met geacht hebben als man, indien je Wijbrechje terechtgewezen had in het bijzijn van Trees. Daarom kom ik niet bij je. Ik ben hier om je te zeggen, dat je niet vergeten moet mens te zijn. Dat je niet vergeten moet jong te denken en dat je nog pas zevenentwintig jaren bent.’
‘Mijn jeugd is voorbij, tante. Ik ben een man in de maatschappij. Ik leef in een samenleving die ik wil helpen in stand te houden. En waarin ik geen ontaarding duldt, zeer zeker niet in mijn omgeving.’
‘Klaas, Klaas, wat een trotse woorden. Ik hoop dat de Here ze niet heeft gehoord, want Hij reageert soms heel vreemd op zelfbewustheid. En dan, Klaas is het heel gemakkelijk een neiging of een aanvechting te veroordelen, vooral als men zelf voortdurend bevredigd wordt.’
Klaas kijkt haar aan. Het bloed stijgt hem naar de wangen, nu slaat hij de ogen neer.
‘Nog één wToord, Klaas. Ik verwacht dat je manzijn en je bevredigingen geen moord tot gevolg zullen hebben. Ik vind vier kinderen zeer behoorlijk.. . en Wijbrechje ziet er zeer slecht uit.’ ‘Tante, ik geloof dat U zich te veel bemoeienis veroorlooft.’ ‘Misschien ten opzichte van jou wel, Klaas. Maar niet ten opzichte van Wijbrechje. Ook haar betrek ik in mijn bescherming. En de oorzaak van haar kregelige uitval en haar gehele zonloze reactie ligt bij jou. Ik kom hier eerst weer om Wijbrechje de
230