naar het daglicht van het Westnieuwland staat voor immer in haar geheugen als het einde van een vervolgingsdroom. Maar buiten komen de tranen en de schaamte voor de voorbijgangers om haar, van verdriet schokkende schouders. Bij de groentemarkt op het Steiger heeft zij onder de pomp haar polsen gekoeld en met haar zakdoekje de rood behuilde ogen gebet. Want zij wilde niet dat tante Jannetje haar leed zou zien.
Maar tante Jannetje zag het wel. Zei echter niets. En ook Aaltje zag het en was die avond zeer rusteloos en vol wroeging.
Toen de nachtrust over het huis van Jannetje gekomen was, de straten onwezenlijk stil geworden waren, ging Jannetje zachtjes op haar bontpantoffeltjes naar boven. Op Treesjes kamer. De blaker met brandende kaars die haar heeft voorgelicht zet zij op Treesjes bedkastje en zij wacht in een stoel bij het bed. Als een zieke poes gluurt Treesje van onder de dekens naar Jannetjes ogen, die zacht zijn in het kaarslicht.
‘Ik zal het U vertellen, tantetje. Maar ik durf U niet aan te kijken.’ ‘Goed dan, mijn kind.’
Jannetje draait haar stoel om en Treesje vertelt haar verhaal tegen de stoelleuning.
‘Ben je Eli vergeten, Trees?’
‘Neen, tantetje.’
‘Wil je Eli nog trouwen, Treesje?’
‘Ja, tantetje.’
‘Waarom deed je het dan?’
‘Het was zo mooi... en ik verlangde zo.’
‘Waar was je wilskracht, Treesje?’
‘Ik was zo eenzaam, tantetje.’
‘Waarom ben je niet opgestaan en naar je vriendinnetjes gegaan?’ Treesje zwijgt even.
‘Hij was zo’n man.’
‘Was hij lief voor je?’
‘Jaaaaa...,’ komt het heel zachtjes en gerekt uit Treesjes mond. Heel stil heeft tante Jannetje gezeten. Toen stond zij op, bedeesd. En zei:
‘Ik heb het begrepen, mijn kind. Het is zo oud als de wereld. Maar vergeet het, want het mag niet. Welterusten, meisje.’
Zij drukte zacht een kus op Treesjes voorhoofd, nam de blaker en ging heen.
229