iange jongeman die Aaltje komt vragen. Aaltje kijkt naarTreesje, die haar bemoedigend toeknikt en weer is Treesje alleen met haar plicht en haar verlangen om te dansen.
En dan staat plotseling Willem Honing voor Treesje de Niet. Als een koningshert. Met trots hoofd en gewelfde borst en smal in de heupen.
‘U danst, mejuffrouw?’
'Neen, mijnheer.’
‘Wilt U niet?’
'Wat graag, maar ik ben chaperonne vanavond.’
Hij lacht met sterke mannelijke mond, wijst op een oude dame. ‘Is deze dame Uw beschermelinge?’
Treesje schiet in de lach.
‘Neen, mijnheer, wat zoudt U denken van die oude heer daar?’ Ongevraagd zet Willem Honing zich naast Treesje en noemt zijn naam.
‘Honing,’ spot Treesje en tast met haar ogen zijn gezicht af en zijn schouders en zijn borst.
‘Ik zou ook liever Jan Pieterszoon Coen heten. Maar Honing is ook nodig in de wereld.’
‘Om vliegen te vangen?’ plaagt Treesje.
‘Bijenkoninginnen houden ook van honing.’
‘Dan bent U geheel verkeerd beland, mijnheer, want hier is de Nutszaal en de korf die U zoekt staat wellicht ergens op de Veluwe.’
‘Juffertje, juffertje, wat maakt U het mij moeilijk.’
‘Moet ik dan inenen weg van U zijn, mijnheer Honing?’
Gelukkig voor Willem Honing is de dans ten einde en Aaltje zet zich verwonderd naast haar zuster. Honing stelt zich voor aan Aaltje met de mededeling dat hij een kennis van Treesje is. Argwanend blijft Aaltje hem monsteren tot de volgende dans begint en ten derden male de zelfde cavalier Aaltje komt vragen. Nog argwanender laat zij zich ten dans voeren als Treesje iets te grif haar toestemming heeft gegeven.
Dan hervat Treesje het gesprek met Willem Honing.
‘Hoe durft U: ‘Een kennis van mij.’
‘Het was de waarheid.’
‘Niet.’
‘Welwaar.’
‘Wie bent U dan?’
223