‘Weet, Jozef, wat een leed het je vader zaliger heeft gedaan. Die goede trouwe vader van je, die ik elke dag mis. Met zijn eerlijk hart en zi|n rechtschapen levenswandel. Met zijn onbeholpenheid en met zijn kracht, als het ging om ons aller naam. Neem hem tot voorbeeld, mijn jongen. Voor de rest van je leven, dat nu nog slechts een ruïne is.’
Jozef bijt op zijn snor. Met de vuisten duwt hij in zijn ogen, als om de tranen hun loop te verhinderen.
‘Ik beloof het, moeder. Ik zweer het U.’
‘Zweer niet. God Almachtig verlangt geen eed van de zwakken, want Hij omvat hen met Zijn Mildheid. En ook niet van de sterken omdat het voor hen geen offer is. Probeer maar, Jozef, alleen maar trachten. Dat is genoeg.’
En toen heeft Rebecca zich weer omgewend en zij heeft haar zoon op het voorhoofd gekust. Pin zij nam hem mee naar haar woning. In de stille rust van een gedegen koopmanshuis.
Het is Aaltjes eerste bal. Tevens het laatste van het seizoen. Treesje de Niet zal haar achttienjarig zusje chaperonneren ondanks haar eigen jonge leeftijd en in het huis van Jannetje Batelaan is die avond veel nerveus geloop, gelach en ook wel eens wat geween. Want Aaltje heeft haar eigen opvattingen over haar japon en haar opschik. Maar ook Treesje heeft de hare en boven hen zijn de dwingende beslissingen van tante Jannetje.
Eindelijk is daar dan het huurrijtuig en in het verlichte portaal tekenen zich de elegante figuurtjes van de beide meisjes af. Kees, de koetsier van Jannetjes vaste huurrijtuig, presenteert de zweep, Kobus de palfrenier helpt de jongedames één voor één van de hoge stoep naar het rijtuig en om beide handen vrij te hebben voor zijn elegant gedoe, heeft hij zijn hoed diep op het hoofd gedrukt, zodat zijn oren plat tegen de rand liggen. Met een geoefende zwaai staat hij nu op het platform achterop het rijtuig. Kees klakt met tong en zweep en de lachende Jannetje wuift naar de twee meisjes die zich voorover gebogen hebben om haar tante te groeten.
In de zaal van het Nutsgebouw is het reeds vol, en warm door de honderden kaarsen in de kristallen kronen en de tientallen wand-luchters. De twee meisjes staan bedeesd aan de ingang van de zaal. Maar dan is daar opeens een statige, in livrei gestoken oude zaalknecht die hen vastbesloten door de volte voert en hun met
223