‘Jozef, mijn jongen. .
‘Moeder, God Oh God, Moeder...!’
‘Ben ik dan zo veranderd, mijn zoon?’
Jozef is opgestaan. Hij lacht maar zwijgt een ogenblik.
‘Nee en ja, moeder. Wat heb ik verlangd naar dit moment.’ Ook Rcbecca heeft zich hersteld. Het is of jaren van haar wegvallen. Zij staat rechtop, nauwelijks leunend op haar stok en kijkt Jozef in de ogen. Vreugdevol, beheerst, overwinnend.
Het gehele personeel loopt toe. Men schudt Jozef de hand en het is een druk en opgewonden gevolg dat Rebecca en Jozef naar het kantoor begeleidt. Wanneer zij binnen zijn gegaan draait Salomon van Loen, de procuratiehouder, zich plechtig om en zegt hun weer aan het werk te gaan.
Binnen vraagt Rebecca:
‘Wanneer kwam je in Holland, Jozef. En waarom?’
‘Ik ben vanmorgen aangekomen, vanuit Parijs. Ik wil hier komen wonen en een vrouw zoeken.’
‘Zijn daar geen vrouwen, mijn jongen?’
Jozef zwijgt even.. .
‘Moeder, ik ben uitgewoed.’
‘En berooid...,’ zegt Rebecca, terwijl zij hem aandachtig monstert.
Jozef staart naar buiten en ziet het drukke gewoel op de Glashaven niet.
‘En, Jozef, ... je moogt hier geen vrouw nemen voordat je geheel genezen bent. Want ik wil gezonde kleinkinderen op mijn schoot.’
Verschrikt kijkt Jozef naar zijn moeder. Hij slikt en slaat de ogen neer. Voor de treurige wetende blik, die hem van achter de hoornen bril omvat.
‘Mag ik blijven, moeder?’
‘Je erfdeel staat op het Grootboek, mijn zoon. Het is een tamelijk bedrag met de opgelopen rente van al die jaren. Je kunt het in je vaders zaak beleggen en je firmantenplaats er mee kopen. En in mijn huis kun je wonen, tot tijd en wijle.’
Rebecca is opgestaan. Nerveus schuifelt zij door het kantoor. En voor het raam staande, de rug naar hem gekeerd vraagt zij: ‘Waarom heb je nooit geschreven?’
Jozef antwoordt met. Hij zit gebogen, het hoofd tussen de handen, de ellebogen steunend op de knieën.
222