een willen zijn. Waarom? Met een paar schepen zou Eli een rijke boterham hebben, met nog onnoemelijk veel voor de oude dag en een prettig leven.’
‘Tja, Jannetje. Dat is nu eenmaal een koorts van de mannen. Een ziekte; grootdoen, verwaand rondkijken. Zo iets van ‘zien juilie mij wel, hoe geweldig dat ik ben’. Maar je hebt nog niet geantwoord op mijn vraag.’
‘Ik weet niets, Rebecca. Zij hebben alleen mijn toestemming gevraagd voor de opdracht. En die heb ik niet gegeven.’
‘Zie, Jannetje. Houdt vol, laat dat schip niet bouwen, alvorens je van a tot z weet hoe het met de prijs en de aanbesteding gesteld is. Arrangeer nu een bespreking daarover en dan kom ik je toevallig ten kantore bezoeken. Daarna zal ik je kunnen zeggen wat je doen moet.’
Jannetje glimlacht en Rebecca kijkt naar haar met haar donkere vechtlustige ogen. En ook zij glimlacht terwijl zij haast onmerkbaar met het hoofd knikt. Toen verpraatten zij de verdere avond met de dingen van alle dag, gezellig snoepend. En Rebecca zuchtte diep en treurig toen zij weer alleen in haar kamer stond nadat Jannetje vertrokken was.
En in de week, volgend op deze avond kwam nog meer leven naar Rebecca terug.
Op Vrijdagmorgen loopt zij door haar magazijnen, stampend met haar stokje. Zij staat dikwijls stil en wijst dan met dit leunstokje naar de houten schappen, waarin de rollen laken en bukskin liggen opgetast. Bij iedere aanwijzing zijn korte bevelen of korzelige bemerkingen voor haar magazijnmeester, die stil en bedrukt volgt en haar boze bui over zich laat gaan. Zij is goed voor haar personeel, maar stug, op het lastige af. Zij gaat verder. Verdieping na verdieping. Wanneer zij moeizaam de terugweg is gegaan en weer op de eerste verdieping is gekomen, dan staat plotseling een grote forse man voor haar. Met een knap en hard en slecht gezicht. Haar zoon Jozef. Rebecca schrikt en wankelt. En houdt zich vast aan de balustrade van het trappenhuis. Een waas van tranen versluiert opeens haar oude ogen achter de hoornen bril. Jozef is met een paar lange passen bij haar, grijpt haar handen. De grote, sterke man buigt het hoofd en het is buiten zijn wil, dat hij op zijn knieën zinkt en zijn hoofd diep in haar rokken duwt.
221