Johanna brengt thee en terwijl zij bezig is, zwijgen beiden en bezien haar bedrijvigheid. Wanneer Johanna de kamer verlaten heeft vraagt Rebecca:
‘En Jannetje, zijn de zakelijke moeilijkheden ernstig?’
Verrast kijkt Jannetje op.
‘Hoe weet je dat, Rebecca?’
‘Mijn beste, waarvoor zou je anders bij mij komen? Ondanks ons gesprek. Want je schaamt jezelf als een klein verlegen meisje dat koppig is en haar leed verslikt.’
Jannetje glimlacht, wil protesteren. Rebecca vervolgt:
‘Laat toch, Jannetje. Een oude vrouw van drie en zestig maakt men niet zo veel meer wijs. Ik vergeef het je graag, ik ben net zo. Vertel eens lopen de hennen weer eens ijdel rond, zonder een ei te leggen, Jannetje? Alleen maar kakelen en nooit een ei?’ Jannetje schiet in de lach en verslikt zich in haar thee. Bezorgd staat Rebecca op, glimlacht opgelucht als Jannetje zich heeft hersteld.
‘Rebecca, zij willen de bouw van een schip aanbesteden. Een raderstoomboot en het kost meer dan een millioen gulden. Ik heb gezegd dat zij moeten wachten op Eli. Ik wil het Eli afraden en dat voelen zij wel. Daarom ook willen zij doorzetten voor hij terug is. Een millioen gulden, Rebecca, wat een geld.’
‘Hebben zij zo’n schip nodig?’
‘Ik weet het niet. Zij hebben al zoveel schepen. Een millioen gulden! En dat zo maar uit de kas nemen en vastleggen. Als er goederen voor gekocht en verkocht worden brengt het toch veel meer op, nietwaar Rebecca?’
‘Het zijn reders, Jannetje. En die moeten schepen hebben. Maar ik geef toe dat het veel geld is. Hoe staat het bij jullie? Zijn er nog veel zeilschepen?’
‘Het merendeel nog clippers. Nu zeggen zij, dat op den duur alles stoom moet worden. En dat zij vooraan willen blijven, ten koste van alles.’
‘Daarin hebben zij gelijk. Wanneer zij nummer één willen blijven, moeten zij dat doel consequent in het oog houden. Tegen het schip zou ik geen bezwaar hebben, wel tegen die haast. Heb je de aanbesteding en de inschrijvingen gecontroleerd, Jannetje? Hoeveel hebben ingeschreven en wie was de laagste?’
‘Weet je, Rebecca, ik begrijp die grootdoenerij toch niet. Nummer
230