Rcbccca schrikt van dit harde, wilskrachtige gezicht en nu is zij het die naar de grond staart.
‘Ik vergeef het U nimmer,’ zegt zij en wil haar weg vervolgen. Zacht legt Jannetje haar hand op Rebecca’s arm.
‘Mevrouw, waarom zoudt U een genegenheid willen verspelen voor iets dat voorbij is?’
‘Genegenheid? Voor mij? Waaraan heb ik die Uwerzijds te danken? Wij die elkaar toch nauwelijks kennen.’
‘Ik ken Uw eenzaamheid en ik vergelijk met hetgeen mij nog gelaten is.’
‘Inderdaad, ik ben zeer eenzaam.’
Langzaam wandelen beiden verder. Jannetje richt haar pas naar Rebecca’s moeizame gang.
‘Heeft U berichten van Eü?’ vraagt Rebecca.
‘Ja, hij komt nu spoedig naar huis. Dan wil hij trouwen, met Treesje, mijn nicht.’
Rebecca glimlacht.
‘Gelukkige. Ik heb niemand meer: Susanne is nog steeds in Parijs, Jozef altijd nog in Amerika en nimmer hoor ik iets van hem. David? De Here weet wat hij doet en waar hij leeft. Mijn andere dochters in den vreemde getrouwd. Een eenzame levensavond, juffrouw Batelaan, eenzaam, eenzaam.’
‘Maar zij leven allen, mevrouw. Met één slag zou alles kunnen veranderen en zij zouden weer om U kunnen wonen, zo het Gode behaagde. Is dat niet heel veel?’
‘Ik wilde, dat ik zo denken kon ais U. Ik zou willen dat mijn opstandigheid luwde en dat ik zou kunnen berusten.’
‘Bezoek mij eens, mevrouw. Bij mij heerst nog vreugde door de kinderen die nog in mijn huis wonen. Door hun vriendjes en vriendinnetjes die zij meebrengen. Het zal U goed doen en Uw somberheid verdrijven.’
Rebecca staat stil. Zij kijkt naar Jannetje en vraagt:
‘Heeft het U geholpen?’
‘Ja.’
‘Behalve... ?’ vraagt Rebecca scherp.
‘Behalve...,’ prevelt Jannetje, ‘behalve ’s avonds wanneer ik slapen ga. En ik dan denk en mij herinner. Dan, mevrouw, is er de loodzware melancholie en het verlangen om in te slapen... voor altijd.’
Enige ogenblikken heerst er stilte tussen hen.
218