koude angst tot in de toppen van mijn vingers. De angst voor straks. . . voor straks, als ik weer zal zitten onder die bedwelming, alleen, zonder kind of verwante, in een gehuurde kamer bij vreemden. In het midden der twintigste eeuw, die ik verafschuw.
Weer zit ik in mijn kamer en het is avond en het is vroeg.
Weer zijn weemoed en angst in mij. Ik zie grootvaders secretaire en ik ga ervoor zitten. Aarzelend, zachtjes. Ik ontsteek de kaars in de zilveren kandelaar en dan neem ik de oude ganzeveer, die ik doop in de porseleinen inktkoker. Het doorhuivert mij plotseling, dat mijn vingers de plaats drukken, waar grootvaders vingers gerust hebben. Ik zie naar de schacht, zo heeft grootvader getuurd voor hij zijn brieven schreef, voor hij het getuigschrift van Jannetje Kan ondertekende. Nu zai ik U hun verdere geschiedenis neerschrijven. Maar avond en nacht zijn slechts kort. Te kort voor dat leven, daarom zal ik schrijven tot ik niet meer kan en de rest zal ik voor U denken tot in het ochtendgloren. Omdat ik in deze nacht mijn herinneringen wil vernietigen. . . voor altijd. .. om mijn leven voor zelfmoord te behoeden.
215