inneringen leven. Ik wil blijven in dit Europa, ondanks de nieuwe generatie die mij niet zint. Die enkele jaren nog zal ik dan leven onder haar democratie, dat een woord is geworden en niets meer. Een leeg woord, te pas en te onpas uitgesproken, uitgeschreeuwd of neergeschreven, zoals straatjongens vuile woorden op een bouwschutting smeuren. Ik zal kortingen zich verder zien verlagen, trachtende zich voor te doen als een burgerman. En de burgerlieden, die het gezag naar zich toegristen, zullen tyran willen spelen, doch wrede burgertjes blijven.
Die generatie zal blijven voongaan geld uit te geven dat het hunne niet is. Zij zullen het nog slechter gaan doen en bezit verteren dat zij niet hebben. En zij zuilen verder bedelen om van de transoceanische bedeling te mogen leven.
Vroeger heb ik verteld, waarom ik dit alles neerschrijf:
Gij herinnert U, omdat ik geen vrienden meer heb om dit uit te praten. En omdat ik behoefte heb U te vertellen, dat ik het huidige leven verkeerd vind en er van gruw. Wellicht is mijn zienswijze onjuist maar mijn gevoelens kan ik niet onderdrukken. Waarom zou ik? Ik moet leven, terwijl ik tradities zie verdwijnen; rust is vervlogen, schoonheid wordt verwoest door techniek. Geen allure, geen vormen, geen groots gebaar, niets dan middelmaat of minder.
Daarom vlucht ik. Naar de dagen van vroeger. Ik vlucht naar grootvader Isaac de Fuentes, naar oudtante Jannetje Batelaan. Naar vader Eli en zijn eerste vrouw Theresia. Naar moeder en naar alles dat mij dierbaar was. Naar al dat vlucht ik in angst voor mijn wurgende melancholie.
Gisteren schreef ik neer, hetgeen U zoeven las. Ik zal U verder vertellen.
Ook gisteren heb ik mijn notaris bezocht en mijn schamele bezittingen verdeeld tussen mijn kleinkinderen. Deze emotie in mijn eenzaam bestaan behoort weer tot het verleden en nu zit ik weer in mijn gehuurde kamer. In de avond; alieen. Bij vreemden. Om mij heen zijn de mooie voorwerpen uit de oude djd, die ik redde tijdens Hitlers sneltocht.
En wanneer ik die dingen bezie, lang en aandachtig, dan beginnen zij te leven. Mijn eenzaamheid wijkt, stap voor stap. En de oude wereld treedt binnen in mijn kleine kamer en brengt mij onder haar bedwelming. Ik voel de gestorvenen om mij, ik bemerk dat ik niet meer behoor in deze kamer, ik speur de ijzige,
214