nodig is voor al die jonge levens welke aan je zorgen zijn toevertrouwd. Ik heb erin berust, dat daarin géén plaats voor mij is, hoewel ik het eens had gehoopt. Zie, Jannetje, ik heb veel; ik bezit een grote macht en ben bereid geworden alles af te staan voor een goed doel, voor iets dat jij me zou kunnen aanduiden. Ik ben bereid deze lening terug te geven, opdat het verdeeld worde over de kinderen die aan je zijn toevertrouwd en over alle schepsels die het Opperwezen mij zou aanwijzen. En nog iets jannetje. Ik heb Lachowitzky vergeven. . en ik berust.’ Jannetje kijkt op. Het is voorbij. Haar hartstocht sterft op dit ogenblik en slechts een diepe genegenheid blijft over voor deze mens die tegenover haar zit als een oude man.
Het zonlicht verschuift langzaam in de kamer. Isaac zit nu in een lichte schemer. Zij ziet de diep gegroefde trekken, de witte baard, de strenge neus en tussen de zware wenkbrauwen de eigenaardige rimpels.
Zij prevelt:
‘Aartsvader, aartsvader Isaac.’
En de Fuentes heeft het niet gehoord.
Het is nacht en een nieuwe dag als Jannetje te bed gaat. Zij ligt op haar rug en staart in het duister. Ze sluit de ogen en de duisternis die zij nu beleeft is zo diep, zo oneindig dat het duizelt in haar hoofd; zij verzinkt en verzinkt dieper en steeds eindelozer in onpeilbaar zwart. Zo is het graf, zo is de dood. Jannetje worstelt tegen deze ijle huivering; het koude zweet breekt haar uit, met kracht dwingt zij zich uit deze verstarring van haarlichaam en gilt. En daar staat Treesje aan haar bed, in haar trillende hand een blaker met flakkerende kaars en de lichtjes weerkaatsen in de angstige ogen, Jannetjes ogen.
‘Tante...!’
‘Mijn kind ‘Tante, wat is er?’
‘Ssst. . . niets mijn kind.'
Treesje huivert, Jannetje trekt haar zachtjes op de bedrand:
‘Ga slapen Treesje en vergeet dit.’
‘Tantetje, waarom riep U?’
‘Treesje, ik was opeens zo eenzaam, zo eenzaam. Mijn kind blijf nooit alleen en bid God dat hij je eerder wegneemt dan hem die je later voor alles dierbaar zal zijn.’
210