‘Eli’, fluistert Treesje en ze huivert.
Jannetje richt zich plotseling op, met beide handen omvat zij Treesjes gezicht. En zij kijkt in twee verschrikte ogen, waarover langzaam de leden luiken en in welker hoeken zich tranen vormen. Zij kust haar zachtjes op het voorhoofd en fluistert:
‘Dat deHere jullie zegene, jullie en je kinderen tot in Eeuwigheid.’ Als Treesje naar haar kamertje geslopen is, bet Jannetje haar brandende ogen en koelt haar polsen in het koude water van de wasbak. Maar voordat zij zich weer te bed begeeft neemt zij de bijbel van het bedkastje en bladert, zoekend naar een rustpunt voor het onzeker gemoed. Zij vindt het boek Ruth; zij leest bij de onwezeniijk rustige kaarsvlam van Naomi, Ruth en Boas. En Naomi is in haar wanneer zij bijna ten einde gelezen heeft... ‘die zal U zijn tot ene verkwikker der ziel en om Uwen ouderdom te onderhouden: Want Uw schoondochter die U liefheeft, heeft hem gebaard die U beter is dan zeven zonen... ’
711