het Haringvliet heeft meegenomen. Zij nodigt Isaac hierin te gaan zitten; zij schikt zijn bloemen en dan schenkt zij hem een glas port. Hij staat op en drinkt haar toe en Jannetje staat er met gebogen hoofd, een hand losjes steunend op de kleine commode, waarop nu zijn rode rozen staan in een kristallen vaas. Dan zitten beiden stil en kijken over de tuinen, ieder met zijn gedachten. ‘Isaac,’ begint Jannetje, ‘dit is zo’n mooie dag voor mij; ik ben zo dankbaar voor al dat vele dat mij gegeven is.’
‘Is er niets dat je nog verlangen zoudt, Jannetje, ben je werkelijk geheel voldaan?’ vraagt Isaac onderzoekend.
‘Ja, Isaac.’ Jannetje heeft het hoofd afgewend. Er heerst weer stilte tussen hen.
‘Jannetje, is het de waarheid?’
‘Ja Isaac.’
‘Jannetje!’
‘Nee Isaac. Jij ontbreekt.’
‘Jannetje, ik ben bij je gekomen zoals je mij tvee jaar geleden wilde aanvaarden, toen ik je bloemen bracht in je nieuwe huis. Weet je nog dat je zei: laat het zo zijn, laat het zo blijven, goede, innige vriendschap, dicht bij elkaar, over en weer hulp en steun, niet meer, want het is genoeg, overvloedig genoeg. En toen heb ik gezegd: het zij zo, mijn Jannetje.’
Jannetje kijkt naar hem. Isaac is zeer ernstig en staart weer naar buiten. Het zonlicht valt schuin op zijn gezicht en zware schaduwen zijn in de oogholten. Zij fluistert:
‘Ben je zo bij me gekomen?’
>•’
Jannetje buigt het hoofd. Ze vecht met zichzelf en met haar lot, dat Isaac bij haar bracht zoals zij het eens wenste. En na die twee jaren, nu de herinnering aan Bas vervaagd is, had zij het anders gewild; had zij Isaac aanvaard zoals zij tien jaar geleden naar hem verlangde en zoals hij komen wilde op die avond, toen zij uit zijn huis wegvluchtte omdat zij zich aan Bas beloofd had. En Jannetjes hoofd buigt dieper als Isaac verder gaat:
‘Zie, Jannetje, ik ben een oude man geworden, de tijd heeft mij gebeukt, gekneed en gevormd. Ik zie rond mij en erken dat het Opperwezen groots heeft gehandeld. Hij heeft mij alles gegeven en maar weinig teruggenomen. Ik heb Eli, die opgroeit als een flink mens, een zoon voor mijn ouderdom. Ik mag in jouw nabijheid leven en zien hoe Hij je op een plaats heeft gesteld, die
209