witte baard 2ich ontwikkelt. Het vermoeit de reder te veel zich te laten scheren.
‘Het is afgelopen, Isaac.’
‘Het zal beteren, Piet. Zo dikwijls zijn mensen er bovenop gekomen en hebben nog tientallen jaren geleefd.’
‘Mogelijk... Maar ik wil er niet meer bovenop komen... ik heb genoeg en ik verlang naar Neeltje... ’
Beiden zwijgen; Isaac weet niets te zeggen. Moet men een mens bemoedigen die het leven geleefd heeft en naar het einde verlangt? Een die bewust is van wat hij zegt?
‘Waarvoor zou ik nog moeten leven, Isaac... ik heb alles bereikt wat voor een koopman te bereiken is. .. behalve kinderen. Ik heb een beste vrouw gehad... behalve dat ik met haar een rustige levensavond mocht genieten... Ik denk zo wel eens, Isaac, wat is het doel van een mensenleven?’
De reder zwijgt even, het praten vermoeit. Isaac kijkt stilletjes naar zijn vriend.
‘Weet je, de Fuentes, de mens heeft maar één doel om hier te zijn en dat is om zijn soort in stand te houden. Heb je daarin gefaald, dan is verder alles doelloos.’
De Fuentes wil iets zeggen. De reder wuift met de hand.
‘Ik weet het, Isaac, ik weet wat je zeggen gaat. Maar dat is allemaal entourage. De zaken, het huis, de rijkdom, ook het maken van mooie dingen, zoals kunstenaars of bouwmeesters doen, het schrijven van verhalen, het geven van wetten, al hetgeen wij beschaving noemen, dat zijn maar nevenverschijnselen. Het is er voor om de tijd dat wij hier zijn om ons voort te planten een beetje aangenaam te maken.’
De Fuentes weet direct geen antwoord want Piet heefr naar zijn gevoelens gelijk. Al wat hij er tegen zcu kunnen zeggen zullen drogredenen zijn en hij wil dat niet tegen zulk een ervaren en wetend mens als Piet. Na langere tijd komt het schuchtere antwoord.
‘Probeer nog te leven, Piet. Al is het dan niet voor jezelf, doe het dan voor anderen voor wie jouw leven een brok van het hunne is.’ ‘Er zijn er nauwelijks.’
‘Eli, en mevrouw Rebecca en ik. Wellicht ook onder ons werkvolk en zeker ook onder je trouwe dienstpersoneel.’
Piet zwijgt, strijkt zich met de moede hand over de ogen.
‘Als ik er niet meer ben, och, hoe lang zal men mij gedenken,
199