Maandagmorgen voor de poort van de werf, niet gelovend aan een echt ontslag, diep in het hart hopend op een wonder; dat een zachter gevoel de reder toegevend zal hebben gemaakt en hij althans iets van hun eisen zal inwilligen. Niets beweegt; de poort blijft dicht. Stil en teleurgesteld gaan de bootwerkers die avond huiswaarts en zo gaan zij nog vijf dagen. Zaterdagavond is er geen geld voor de huisvrouw. De bakker en de kruidenier poffen met onvriendelijke gezichten en een waarschuwing voor de volgende week. En weer is het Maandag en dromt het volk voor de poort, die listig, lokkend openstaat. Mannen gaan binnen, schichtig, gebukt of dreigend en vol brani. Voor het kantoor worden er handtastelijk, er wordt geschreeuwd, gedreigd. En dan staat de oude reder in het deurgat, machtig, overwinnend. Tierende, scheldende j onge kerels dringen om hem heen; ouderen proberen te sussen, bang voor wat er komen gaat, in hun diepste binnenste voelend, dat het nog tientallen jaren zal duren eer dat zij een broodheer de wet zullen kunnen stellen en daarom willen berusten en toegeven. Dan gebeurt het. Niemand weet hoe, ook de politie zal het later niet uitvinden hoe Piet van Sliedrecht plotseling tegen de grond sloeg en bewusteloos bleef liggen. Wild, verschrikt stuift men uiteen, rent de werf op of de poort uit en het grote, zware lichaam ligt er alleen. De commiezen snellen toe; ze weten dat er iets gebeurd is door het wegrennnen van de bootwerkers. Radeloos zoeken ze een ladder, sjorren het zware lichaam erop en dragen het naar binnen. Uren ligt hij hier totdat zijn dokter uit de stad is gehaald en hem voorzichtig naar huis laat vervoeren. De oude man antwoordt niet op de vragen, wat hun patroon is overkomen. Hij wil geen voedsel geven aan geruchten die spreken van een klap en overigens gaat het hun niet aan; ze kunnen hem toch niet cureren. Na een dag van bewusteloosheid kan de dokter aan de Fuentes mededelen dat zijn compagnon ten dele verlamd is en het zal blijven. Zijn geestes-vermogen is niet gestoord, noch de spraak en de heer de Fuentes zal goed doen er mee te rekenen dat de reder binnen enkele jaren voorgoed de ogen zal sluiten.
Dit vreselijke vertelt Isaac aan zijn zoon en tevens dat hij erop zal moeten rekenen op jonge leeftijd zijn plaats in de firma in te nemen. Bedrukt kijkt de jongen voor zich uit. Hij is nu veerden jaar, heeft haast geen vriendjes van zijn eigen leeftijd. Het enige
197