huis met mooie dingen en jij wordt de vrouw erin en geen ander.’ ‘Ik heb je toch gezegd dat ik niet wil. Zoek maar een ander meisje dat je ringeloren kunt en laten wandelen, altijd maar wandelen langs het water. Ik vind best een andere jongen.’ ‘Klets, jij wordt mijn vrouw en als je dat niet wilt, ga ik naar zee en kom nooit meer terug.’
‘Nee, Eli, nee, ik wil niet dat je weg gaat. En ik alleen achterblijven hè en altijd maar aan je denken en jij je van niets wat aantrekken. Je blijft hier bij mij.’
‘Goed dan zal ik bij je blijven. Maar dan moet je nooit meer huilen en niet zo kinderachtig zijn om niet langs het water te willen wandelen.’
‘Goed dan, ik zal met je meelopen maar je mag niet voor altijd weggaan. Maar als ik het nu altijd zo koud heb hier aan het water!’ ‘Ik zal je dan een dikke mantel kopen. Treesje, zul je nooit een andere jongen nemen?’
‘Nooit.’
‘Zul je op mij wachten als ik straks een paar jaar weg moet om te ieren? Ik kom vast terug om je te halen.’
‘Ja, Eli,’ fluistert Treesje.
Dan zitten beiden nog lang hand in hand aan het water. Zij spreken ook weinig op de terugweg, maar Treesje straalt. Eli heeft beloofd dat zij zijn vrouw zal worden en wat hij belooft doet hij altijd. Eli is even stil als op de heenweg, zijn gezicht is gesloten, hard. Treesje wordt zijn vrouw, dat is vast. Het zal niet meer gebeuren dat een moeder van hem heengaat. Het is genoeg geweest: moeder Ester, Fran$oise, tante Jannetje!
1848, het woelige jaar vol onrust en verzet, van verlangen en hunkering naar iets nieuws en iets beters gaat ook in Rotterdam niet zó voorbij.Ontevredenheid is ook onder het werkvolk van Piet van Sliedrecht. Men eist en de patriarchale reder weigert. Wanneer er iets te verbeteren valt, meer loon gegeven moet worden, dan zal hij dat wel tijdig zien. Maar dwingen en dreigen, dat zal bij hem niet gebeuren. Werken of ontslag; hij is de broodheer, hem is de macht en de beslissing voor verbetering of niet. Dan op een dag staakt het werkvolk van Piet van Sliedrecht. De Zaterdag brengt in plaats van loonbetaling ontslag. Mokkend en somber, elkaar bemoedigend en hitsend, leven zij door de Zaterdagavond en de Zondag. Dreigend en massaal staan zij die
196