recht voor zich uitkijkend, de koele ogen vorsend, alles ziend, overweegt waar zij heen zullen wandelen. In dit opzicht is zijn fantasie niet zo heel groot: de rivier en de schepen. Dat zal het ook nu weer zijn. Treesje volgt gehoorzaam hoewel zij vandaag eens graag de kant van Delft was opgewandeld. De wandeling is lang, gestadig loopt Eli door en Treesje volgt. Ze kan niet goed op dreef komen met haar gebabbel. Anders moedigt Eli haar op zijn eigen wijze aan door korte vragen of opmerkingen, net genoeg om haar op gang te helpen en gezellig te laten praten over alles en nog wat. Daarom doet zij nu geen verdere pogingen en zwijgt en loopt. Wanneer zij dan aan de rivieroever gaan zitten, ver van de stad, is alle lust haar vergaan. Stil kijken haar ogen uit een afgewend gezicht over de rivier en zien niets. Zij was nu zo graag opgesprongen en hard weggelopen van deze harde, koele jongen. Maar zij durft niet door een onbestemd gevoel in haar binnenste en het idee alleen naar huis te moeten en misschien op de terugwreg geplaagd te worden door opgeschoten jongens. Dan ziet Eli het betraande gezichtje, het rode neusje.
‘Waarom huil je?’
‘Ik huil niet.’
‘Wel waar. Waarom? Heb je pijn?’
‘Niks, laat me met rust, ga weg.’
Treesje schuifelt van zijn zijde, de tranen lopen overvloedig. ‘Toe nou, waarom huil je, heb ik je kwaad gedaan?’
‘Je bent een nare vervelende knul, waarom vraag je me mee uit te gaan? Je laat me maar lopen en lopen. Jij loopt als een kwaje bok voort en altijd maar naar dat vervelende water. En dan maar stom zitten en ik heb het maar koud.’
Eli komt resoluut naast haar zitten.
‘Treesje, ik wist niet dat je het zo naar vindt. Waarom heb je niets gezegd, je mag toch ook wel wat zeggen. Hoe moet dat later gaan als ik nooit weet wat je wilt.’
‘Later?’
‘Ja, later als wij getrouwd zijn.’
‘Ik wil niet met je trouwen, jij zult altijd willen doen wat jij wilt en ik wil toch ook wel eens wat. Als je niet eerlijk deelt dan trouw ik niet met je.’
‘Treesje, ik wil geen ander meisje dan jou. Wij trouwen samen, dat is vast. Ik maak een grote zaak, Treesje, ik koop een groot
195