omdat zij een herinnering bij je naliet genoeg voor een heel leven. Maar jij, levensgenieter, jij begerige, weet van geen genoeg en van geen dankbaarheid en het is toch zo veel dat je kreeg.’ Lange tijd zwijgen beiden, dan komt Isaacs antwoord: ‘Inderdaad het is heel veel, het is genoeg. Dat zegt mijn verstand, Jannetje. Maar mijn gevoel is in opstand en zal het blijven tot mijn laatste snik.’
‘Isaac, ik had mijn rust hervonden en mijn verdere levenstaak zie ik heel duidelijk voor mij afgebakend. Er is geen ontwijken, omdat ik niet ontwijken wil, ondanks dat ik veel om je geef. Maar de rijkdommen, die ik heb opgesomd zijn dusdanig, dat ik mezelf aan jou onthouden mag terwille van anderen.’
Zij staat nu vlak bij hem, precies als jaren geleden. Zij ziet neer op zijn gebogen hoofd en haar verlangen is groot. En hij heeft, zoals voor jaren, weer haar hand gegrepen en tegen zijn wang gedrukt. Hij ziet weer langs haar op, langs heupen, borst en hals en zijn hartstocht is hevig. Zij fluistert:
‘Laat het zo zijn, laat het zo blijven, Isaac. Goede innige vriendschap, dicht bij elkaar, over en weer steun en hulp, niet meer. Het is genoeg, overvloedig genoeg.’
Dieper is zijn hoofd gebogen, hees van onderdrukte ontroering zijn stem:
‘Het zij zo, mijn Jannetje.’
Angstig verlangend staat Treesje de Niet bij de Korenbeurs en ziet uit naar Eli de Fuentes, die beloofd heeft haar hier te zullen ontmoeten. Haar hartje bonst in het lichaam, haar vuistje omknelt een zakdoekje. Het is de eerste keer dat Treesje hem zalzien zonder dat tante Jannetje het weet. Daarom heeft Treesje niets lekkers meegebracht in een korfje, dat tante Jannetje nooit vergat mee te geven. Maar in haar handtasje zitten toch wat suikertjes en chocolaadjes, wel wat zacht geworden door het hete Juli-weer maar dat zal niet hinderen, Eli eet alles. Lang behoeft zij niet te wachten. Als altijd is hij op de minuut, te pijnlijk precies voor zijn leeftijd.
‘Dag.’
‘Dag.’
‘Kom.’
Gedwee en stil loopt zij naast Eli, de vereerde. Verstolen kijkt zij nu en dan uit de hoeken van haar ogen naar hem op. Hij,
194