gebogen maar het geheel is dat van een gezonde krachtige oude aristocraat. Jannetje staat voor hem. De nu acht en veertigjarige vrouw is grijs geworden, maar de oude gevulde bekoorlijkheid van de jaren voor haar huwelijk is teruggekomen. Over heel haar wezen ligt een diepe vrouwehjke ernst en haar ogen zijn mooier dan zij ooit zijn geweest, want er liggen ervaring en rust in. Met welgevallen in haar snelle blik heeft zij Isaac gemonsterd. Hij is naar haar toegekomen, zoals zij het gehoopt heeft. Verzorgd en meester van zichzelf.
‘Jannetje, mijn beste wensen voor je nieuwe woning; veel geluk en geen leed meer.’
‘Wees er getuige van in voorspoed en rust, dat heb ook jij nu wel verdiend.’
Nadenkend knikt de Fuentes.
‘Inderdaad Jannetje, ook ik ben in het voorportaal van de definitieve rust. De storm gaat liggen.’
‘Niet zo somber,’ antwoordt zij, ‘op jouw jaren denkt men toch nog niet aan de dood.’
‘Er zijn geen bepaalde jaren om aan de dood te denken. Alleen gebeurtenissen brengen een mens ertoe; in zijn jeugd of in zijn ouderdom.’
Jannetje kleurt, wendt het hoofd af en vraagt:
‘Wil je niet gaan zitten. Ik zal je avondwijn schenken.’
De Fuentes zet zich neer bij het venster.
‘Dat is lang geleden, Jannetje, dat je mijn avondwijn inschonk.’ Jannetje zwijgt. Zij neemt haar mooiste glazen uit de dikbuikige porseleinkast, belt en geeft een opdracht. Bedrijvig en stil is zij in de weer met schaaltjes en bakjes, met koekjes en gebak, totdat de keukenmeid een bestofte fles Bourgogne heeft binnengebracht. Als zij de kamer verlaten heeft herneemt Jannetje het gesprek. ‘Isaac, de wijn is niet op temperatuur, ik wist niet, dat je zou komen. Misschien wil je zelf de fles ontkurken. Er is hier geen man meer in huis.’
De Fuentes heeft haar al die tijd zwijgend gadegeslagen, stil staat hij op en opent de fles. Hij blijft staan terwijl Jannetje hun beider glazen vult en wanneer zij deze opheffen om te klinken en elkander daarbij in de ogen kijken, ziet Jannetje twee treurige vermoeide donkere ogen. Zij staat nu heel dicht bij hem en zijn stem is zacht:
‘Jannetje, mijn lief, waaraan heb ik dit alles verdiend? Waarom
192