‘Vrouwen zijn rare wezens, zij hebben iets dat wij meestal niet bezitten, schipper. Dat heet voorgevoel.’
‘Onzin, ik wil varen. Nog ééns, varen en uitwaaien. Ik heb dat nodig na enige jaren huwelijk.’
‘Waarom ben je nog getrouwd, Batelaan, ik geloof dat het een fout was.’
‘Fout was het niet, het trouwen tenminste, reder.’
‘Batelaan, tientallen kerels zouden hun handen aflikken voor een wijf als Jannetje Kan. Misschien ligt de fout bij jou.’
‘Ik wil van Jannetje niets zeggen en ik wil de schuld op mij nemen, Van Sliedrecht, maar het gaar nu eenmaal niet best tussen ons. Daarom is het goed dat ik er een tijd tussenuit ga. Misschien gaat het beter als ik terugkom.’
‘Dat Jannetje je niet wil laten gaan betekent dat je haar niet onverschillig bent. Bedenk dat wel, Batelaan, en wees daarom geen stijfkop.’
‘Mogelijk, maar vóór ik dat zie zal ze nog heel veel moeten veranderen en wel zoals ik het wil. En daarom geef ik haar de tijd, terwijl ik op zee ben.’
‘Stijfkop, je hebt met het recht je vrouw de zenuwen op het lijf te jagen en in angst te laten leven. Ik heb haar beloofd dat ik je niet laat varen en wat ik aan een vrouw beloof, kom ik na.’ ‘Misschien kan dat, als de man op wiens kosten U die belofte doet, geen Batelaan heet. Ik vaar uit, reder en als het niet op Uw schip is dan op een ander, hoe zeer het mij ook spijt, erg
spijt-’
‘Vervloekte dikkop, zie je dan niet dat je alles stuktrapt, je huwelijk, je leven, misschien de toekomst van je zoon als je inderdaad niet mocht terugkeren van die reis? Waarom riskeren te verzuipen?’
Dan buigt Bas Batelaan het hoofd naar voren en zijn gezicht is heel dicht bij dat van de reder. Van Sliedrecht, de oude ervaren Viking, schrikt voor twee opeens veranderde grijze ogen onder borstelige wenkbrauwen; twee hulpeloze ogen in een w-aas van opkomende tranen. En van een hese stem die vraagt:
‘En als ik nu verzuipen wil?’
Met de rug van zijn hand wrijft Batelaan over de ogen, draait zich om uit schaamte voor zijn zwakheid en zich in het deurgat nog eenmaal tot de reder wendend:
‘Ik hoor nog wel spoedig Uw besluit, reder. Varen zal ik.’
186