‘En,’ dringt Jannetje aan, ‘en.. .’
‘En naar jou en het huis op het Haringvliet.’
‘Praat mevrouw dan nooit eens prettig en warm met je?’ ‘Weken en maanden praten wij alleen over gewone dingen, over mijn huiswerk en wat ik nodig heb aan kleren; of ik honger of dorst heb, of ik iets kopen wil of ergens heen gaan. Maar een tijdje terug op een avond, vroeg mevrouw of ik bij haar wilde blijven zitten en toen heeft zij voor het eerst eens met me gepraat over andere dingen.’
Het is een ongewoon lange zin voor Eli en Jannetje beluistert aandachtig zijn stem, want door de gevallen schemer kan zij zijn gezicht haast niet meer zien.
‘Waarover,’ dringt Jannetje zacht.
‘Over God. Mevrouw zegt dat ik twijfel aan God en dat ik God moet zoeken en dat ik zal vinden als ik geloof, blindelings geloof.’ Het is stil in de kamer. Beiden zien elkander niet meer en zij voelen het als een verademing, dat praten in het duister, de gezichten die hun aandoening zo vlug verraden onzichtbaar voor elkander. Dan herhaalt Jannetje langzaam voor zich heen: ‘Geloven in God, blindelings geloven en dan zal men Hem vinden.’
Weer heerst er stilte en Jannetje voelt, dat Eli op haar antwoord wacht, een verlossend woord vol vertrouwen en richtinggevend voor het leven. Ze haast zich, haar gedachten werken snel, maar ze vindt met haar verstand geen leerzaam betoog en in haar eenvoud laat ze haar gevoelens zeggen:
‘Blindelings geloven is niet genoeg, Eli. Geloven met liefde, dat is de weg naar God. Je bent nog zo jong, men kan alles nog niet met je bepraten. Maar wat men doet in het leven moet men met liefde doen, ook het Opperwezen dienen, Zijn Scheppingen zien en waarderen, Zijn rijke en milde gaven ontvangen; ik weet dat mevrouw het ook zo bedoelt, Zijn straffen ondergaan.’ ‘Beheerst de liefde dan alles in het leven?’
‘Naar mijn gevoelen wel.’
‘Alles?’
‘Eli, ik zei reeds dat ik je te jong vind om over al die dingen zo diepgaand te spreken. Misschien, ja, bijna zeker moet ik bekennen dat de liefde niet alles beheerst. Maar waar het om ging in ons gesprek, het dienen van God, dat weet ik heel zeker, kan alleen met liefde geschieden. Maar dikwijls als men de dingen uit
183