‘Govert Kan was mijn vader.’
Peinzend staart Piet van Sliedrecht naai buiten. Dan zegt hij: ‘Ik heb vader horen vertellen van Govert Kan, ik hoor het graag ook eens van U, juffrouw Batelaan.’
‘Nooit, reder. Maakt U geen fout zoals Uw vader zaliger deed, willig mijn verzoek in en geef Bas Batelaan geen commando.’ ‘Geen commando, ook niet op Zuid-Amerika?’
‘Geen één. Laat Bas bij zijn zoon en mij.’
‘Is Bas U zo na aan het hart, juffrouw Jannetje?’
‘Past U die vraag, reder?’ vraagt Jannetje scherp.
‘Nee, eigenlijk niet, maar men kan in Rotterdams haven zijn oren zo moeilijk dichtstoppen.’
‘Ik weet wel dat men ons huwelijk niet als ideaal beoordeelt, reder, maar niemand heeft het recht er zich mee te bemoeien en het is nog niet zo ver dat ik Bas zou willen verliezen. Ieder mens heeft zijn eigenaardigheden en ik heb hem nu aanvaard zoals hij is, trouw en vol plichtsbesef; meer heeft een ouder wordende vrouw niet nodig. Ontsla Bas van het commando.’
Jannetjes stem trilt. Piet van Sliedrecht kijkt haar doordringend aan en hij berekent zijn verlies.
‘Dat zal me veel geld kosten, juffrouw Batelaan.’
‘Het huis Van Sliedrecht heeft nog schuld aan mij en die zal hiermee betaald zijn. En reder, wat maakt één haring op een ton?’ vraagt Jannetje.
Piet is opgestaan. De volle zwaarte van zijn groot lichaam is voor haar en zij ziet, zittend, naar hem op als naar een toren. Nog steeds kijkt hij haar aan, rekent en overweegt of hij, na jaren, zijn vriend Isaac zal helpen en, in tegenstelling met toen, Bas Batelaan naar zee sturen! Maar hij ziet Jannetjes ogen en zij lijken op die van zijn gestorven Neeltje en daarom is zijn korte antwoord, op schorre toon:
‘Batelaan vaart niet uit.’ Snel heeft hij zich omgedraaid en zijn kantoor verlaten, een ontdane Jannetje achterlatend in haar stoel. En zij zat er met gebogen hoofd en beet op de knokkels van haar vuist, uit vreugde en dankbaarheid.
Een weekje later, wanneer Jannetje van de vismarkt naar huis wandelt, ontmoet zij Eli. Ze heeft de jongen in Enge tijd niet gezien en met groot plezier kijkt zij naar de rijzig opgroeiende gestalte.
180