Tientallen malen heeft zij de Glashaven afgekeken of David, de loopknecht, nog niet in aantocht is met de blijde boodschap. Als hij dan eindelijk buiten adem komt toelopen, spoedt Rebecca zich naar buiten.
Zij zijn nog voor de aankomst van het huurrijtuig bij het woonhuis in de Wagenstraat. Johanna, de keukenmeid, staat reeds aan de deur in zwart en wit, de helder witte muts op het hoofd. Zwijgend volgt zij haar mevrouw in huis en zegt slechts: ‘Alles is in orde, mevrouw, de koffie is klaar; men kan zich warmen.’
‘Goed Johanna; David, ga met Johanna naar de keuken, ze zal je een bord soep geven.’
Dan gaat zij snel door haar huis. Zoals zij het verwacht heeft, is het ook. De oude, trouwe Johanna met haar twee dienstboden heeft alles in de puntjes gereed, als altijd blinkt het huis. Het ademt rust en is doortrokken van een feestelijke geur van verse koffie en gebak. Rebecca zet zich bij het open haardvuur, wrijft zich de verkleumde handen en zij kan er niets aan doen, dat plotseling twee grote blanke tranen over haar wangen rollen; tranen van een vrouw die te laat van haar man is gaan houden. De klopper valt op de deur, vlug gaat zij naar de gang. Reeds heelt Johanna geopend en Rebecca ziet haar kleine zuster Josephine, het oude levendige dametje en achter haar Susanne, slanken knap en bijzonder elegant gekleed, haar eigen beeld als jong meisje. ‘Welkom,’ snikt Rebecca.
‘Dat verder leed je bespaard moge blijven, Rebecca. Wat is het lang geleden, zuster, dat wij elkaar gezien hebben,’ zegt tante Josephine zacht.
‘Dag moeder.’
Susanne kust haar moeder op beide wangen, de ogen glanzen van ingehouden verdriet. Zwijgend ontdoen de reizigsters zich van hun mantels en hoeden en volgen Rebecca in de gezellige warme kamer. Rondom de haard gezeten komt vlug een vrolijker stemming. Johanna en het eerste meisje dienen geruisloos en behendig de geurige koffie en Susanne en tante Josephine babbelen honderduit over de reis en de laatste nieuwtjes. Langzaamaan komt ook Rebecca wreer in een rustige en berustende stemming. Het is prettig zo. Haar dochter weer thuis, vrede met haar zuster, financieel geborgen voor de oude dag en al haar kinderen nog in leven. Er is nog veel om God te danken.
174