‘De logeerkamer is weer voor U gereed, mevrouw.’
‘Goed, Haiina.’
‘Wel te rusten, mevrouw.’
‘Goede nacht, Johanna.’
Stil breit Rebecca voort, steek na steek. Nu en dan dommelt zij in over haar werkje, maar zij vermant zich en breit verder. Zij wil deze nacht niet naar bed, zij wil hier bij het vuur blijven zitten. Waarom? In haar is iets dat zegt met naar bed te gaan. Langzaam leunt Rebecca achterover in haar stoel en slaapt in. Het vuur in de open haard zakt af, de kaarsen aan de wanaconsoles flakkeren, alleen het licht in de bol van de porseleinen petroleum lamp, die midden op tafel staat, brandt fe! en onbewogen; een wachter over zijn slapende meesteres. De Friese hangklok heeft met haar zilveren bel de verstreken tijd gemeld, het laatst was het drie uur. Opeens ontwaakt Rebecca. Door wat 'weet zij niet, maar zij staat plotseling voor haar stoel en huivert. Het vuur is bijna uit, de wandkaarsen gedoofd, de petroleumlamp brandt nog zwak met gelig licht. Rebecca trekt haar wollen shawl dichter om zich heen. Zij luistert aandachtig en een grote angst overvalt haar. Zij voelt zich opeens zo eenzaam dat zij zou kunnen gillen om hulp. Een minuut heeft zij zo gestaan, dan gaat zij naar de deur en opent haar. Zij hoort iemand zachtjes de trap afkomen en wanneer zij naar boven kijkt is daar Johanna, geheel gekleed. ‘Johanna, er is iets gebeurd.’
Johanna knikt en begint te huilen.
‘Ik voelde het daarnet ook, mevrouw.’
Rebecca’s hart bonst, met al haar kracht weerhoudt zij zich om op de trap te gaan zitten. Dan gaat zij naar boven, gevolgd door Johanna en zij begeven zich naar Jacobs kamer. Het is er donker. De kaars die zij meedragen, werpt hun schaduwen naar alle zijden groot op de muren. Met diepe angst naderen zij het bed en wat beiden wisten maar niet durfden uit te spreken is zichtbaar geworden voor hun ogen: Jacob Davidson, de kerkvoogd, is in dit uur gestorven. Dan zinkt Rebecca op haar knieën en haar keel is dichtgeschroefd tot het bevrijdende huilen komt in gierende vlagen en zij in wilde smart het hoofd bonkt tegen de bedrand. Radeloos, met grote angstige ogen staat Johanna en slaat een kruis.
In die nacht heeft ook Jannetje haar brief van Isaac gelezen. Ze
169