de teugels te strak gehouden voor onze kinderen en hen benauwd met onze toewijding.’
‘Geen zorgen, vadertje, niet tobben, alles zal wel weer terechtkomen zoals je gezegd hebt. Toe, Jacoblief, ga nu slapen, je hebt je zo opgewonden en moe gemaakt.’
‘Bekkie, kom je nog even bij me zitten en mijn hand vasthouden zoals vroeger, weet je nog wel!’
‘Ja, vadertje.’
‘Zoals vroeger toen de kinderen klein waren en in de wieg lagen en wij hand in hand luisterden naar hun ademhaling. Weet je nog wel Bekkie, dat je zo’n angst had als je ze niet hoorde en ik er uit moest om te zien of hun niets over komen was?’
‘Ja, vadertje.’
‘Waar zijn die jaren, Bekkie?’
‘Toe, Jacob, ga nu slapen.’
‘Niet weggaan voor ik slaap, Bekkie, het is me zo vreemd en bij jou voel ik me rusdg.’
Langzaam is Jacob ingeslapen. Rebecca heeft sdl de kamer verlaten nadat ze de kaars heeft gesnoten. Beneden heeft zij zich bij de haard gezet en haar breiwerk opgenomen en zij overdenkt het leven van de laatste jaren. Susanne leeft nu in Parijs. Volgens de brieven van tante Josephine is zij een vooraanstaande figuur in de opkomende sociale beweging geworden. Jozef is in Amerika; Esther en Rachel, haar jongere dochters, zijn op kostschool in Zwitserland. David, haar jongste zoon, is bij haar broer in Amsterdam om de export op Zuid-Amerika te leren. Zij is nu nog alleen met Jacob en het dienstpersoneel en dan is er nog als gast Eli, de zoon van de Fuentes. Een brok schiet in haar keel wanneer zij nu haar eenzaamheid beziet.
Johanna, de oude keukenmeid komt binnen, verzorgt het vuur en vraagt:
‘Wil mevrouw haar koffie?’
‘Goed Hanna.’
‘Is mijnheer niet best?’ vraagt Johanna.
Rebecca schudt het hoofd. Ze kan niet spreken.
Stil heeft Johanna de koffie gebracht.
‘Ga naar bed, Hanna, het is morgen weer vroeg dag.’
Johanna treuzelt.
‘Mag ik bij U blijven, mevrouw?’
‘Nee, Johanna, ga slapen.’
168