‘Dat weet ik, op de levensavond ontdekt men wat men had willen worden of waartoe men geroepen was. Maar over dat helpen gesproken, loot er eens om, niet voor één, want U hebt geld genoeg voor vijf.’
‘Is dat dan de prijs voor deze avond?’
‘Ja reder.’
‘Dan zal ik hem betalen.’
Piet gaat op zijn rug liggen en lange tijd spreken beiden niet. Dan zegt Van der Steen vaderlijk:
‘En ga nu slapen, morgen zal ik U naar Rotterdam brengen; niemand hoeft te weten wat er hier is gebeurd.'
Piet van Sliedrecht knikt, strijkt met de hand over de ogen, geeuwt en slaapt in.
Drieweken later betaalt Van Sliedrecht zijn schuld aan Janus van der Steen. Notaris Jonchere heeft van tweehonderd bootwerkers-zonen er vijf uitgeloot en deze zullen op kosten van Piet van Sliedrecht worden opgeleid. Janus van der Steen heeft geluk gehad; ook zijn zoon heeft een goed lot getrokken en zijn studiekeus was ‘rechten’. Van Sliedrecht is nog verder gegaan dan wel ooit in zijn opvatting heeft gelegen. Hij heeft de vijf een maaltijd te zijnen huize aangeboden. Eerst kwam er haast geen woord uit deze schoongeboende, armelijke, Zondags geklede jongens maar tijdens de maaltijd kwamen ze los en Piet van Sliedrecht heeft veel ervaren omtrent de problemen van deze jonge mensen. Ook Van Sliedrecht heelt zich in de loop van de avond beter op zijn gemak gevoeld, maar na het afscheid toen hij veer alleen aan de eettafel was gaan zitten en de wanorde van de afgelopen feestdis bekeek, overvielen hem sombere gedachten. Zijn gehele levensprobleem heeft hij geuit in cén zin toen de oude huisknecht zijn heer stilletjes een cognac en een gestopte gouwenaar kwam brengen:
‘Dat hadden mijn vijf zoons moeten zijn, Gerrit.’
Het is winter geworden en het jaar 1845 gaat ten einde. Een schip van reder Van Sliedrecht is thuisgevaren uit de Staten en heeft post meegebracht van Isaac de Fuentes. Brieven voor Eli, voor Piet, voor Jacob Davidson en voor Jannetje. Nog laat in de avond heeft Van Sliedrecht de brieven door een kruier laten rondbrengen.
164