waarom, dat heeft Hij niet geopenbaard, maar ik kan het bevroeden.’
Piet zinkt terug in de kussens en staart naar het plafond, lange tijd is er stilte in het kleine warme kamertje.
‘janus, was mijn leven goed of slecht?’
‘Ik ken U nauwelijks, maar U bent een broodheer.’
‘Is dat belangrijker dan goed of kwaad, Van der Steen?’
‘Voor ons arbeiders wel. Wat deert het ons of een man goed of slecht is, wanneer hij als broodheer maar draaglijk blijft.’
‘Zou jij je brood uitgedeeld willen zien door een misdadiger, Janus?’
‘Nee, reder, maar als het zo beschikt was zou ik het moeten nemen. Kr is niet veel keus voor ons arbeidersmensen. Kunnen wij ons langer dan één weekloon weren? Dat zal wel eens veranderen, maar eerst onze kindskinderen zullen dat beleven.’ ‘Waarom zou het anders worden, Janus, wanneer jullie gedachten er op gericht zijn om het te nemen?’
‘Wij praten erover, onder elkaar en tegen een ploegbaas of een patroon en dat is het begin van een verandering. Wij zijn begonnen met te denken.'
‘Wat is er dan zo slecht, Janus, waar wringt het voor jullie; is de betaling te gering?’
‘Met een paar gulden meer in de week zijn wij niet gebaat, reder. Het zit in de onzekerheid: zal ik morgen of volgende week nog werk hebben? Wat moet mijn vrouw beginnen als ik kom te liggen, wat moet zij aanvangen als ik onder een hijs verongeluk of verminkt word. Er zijn goede patroons, die tot de dood zullen doorbetalen, althans willen. Maar wanneer zij niet meer kunnen? De onzekerheid beheerst ons leven en maakt ons ondergeschikt.’
‘Wat willen jullie dan, Van der Steen?’
‘Dat weten wij nog niet, wij hebben niet voldoende verstand om het uit te drukken, het te regelen en af te dwingen. Mijn zoon, die zal het w’eten te zeggen, want hem laat ik leren.’
‘Haat je onze klasse, Janus?’
‘Welnee, reder, wij zouden in Uw plaats precies eender zijn. Dat zie je zo dagelijks bij mannen die zich hebben opgewerkt tot kleine bazen. Zij zijn vee! erger voor ons dan de families, waarbij wij van geslacht op geslacht hebben gewerkt. De eigen soort is het meest onmeedogend voor de eigen soort. Nee, haten doe ik
162