aan de knieën komt, Keeltje roept van de schepen. Niet weer naar huis, niet weer naar dat niets, hier wil hij blijven, hier bij Neeltje en de schepen.
Krachtige mannenhanden grijpen hem, sjorren hem in de boot; rappe werkzame vrouwenhanden ontkleden hem, drogen zijn grote lichaam; krachtige mannenhanden leggen hem te bed; zorgzame vrouwenhanden dekken hem toe en temperen het licht. Het is nacht als Piet van Sliedrecht ontwaakt en zich rekt. Hij geeuwTt en richt zich op en het besef van Neeltjes dood valt op hem als een steen. Aan het bedeinde zit een man, die naar hem kijkt uit donkere oogholten, afwachtend, nieuwsgierig, bemoedigend. Het kamertje is flauwtjes verlicht door een kaars, grote schaduwen zijn op de muren en de witte zoldering.
‘Wat is dit?,’ vraagt Piet.
‘Ik heb U uit het water gehaald, reder.’
‘Waarom?’
‘Daarom. Iedere mens die te water gaat, haalt men eruit, dood of levend!’
‘En als het nu mijn wil was om te verdrinken?’
‘De redder weet dat niet en vraagt er niet naar. Ook als U had tegengesparteld had ik U eruit gehaald.’
‘Waar ben ik?’
‘Op Fijenoord, bij Janus van der Steen.’
‘Kent U mij?’
‘Ja, reder Van Sliedrecht, ik ken U, wij kennen U allemaal hier.’ ‘Hebt U bij mij gewerkt?’
‘Ja, maar desondanks heb ik U eruit gehaald.’
Piet kijkt Janus onderzoekend aan.
‘Was er te klagen, Van der Steen?’
‘Veel reder, heel veel; maar U hebt blijkbaar ook veel te klagen zodat U te water ging.’
Piet zwijgt lange tijd. Dan komt opeens het antwoord:
‘De vrouw is dood, Janus.’
‘Zij ruste in vrede. Uw tijd is het nog niet.’
‘Wat bindt mij hier, Janus? Waarom mag ik niet gaan als ik wil?’
‘Wij hebben geen wil, reder, er is Eén Wil en Die heeft zich zo geopenbaard, dat U blijven moet.’
‘Heeft jouw God je ook gezegd waarom, Van der Steen?’
‘Ons beider God heeft mij alleen gebruikt om U te laten blijven,
161