tegenzin als hij haar met zware drankadem dicht naderde. Hij ziet haar angstige ogen gericht op zijn mond, haar handen die de stoelleuning omklemden om te kunnen verdragen en te dulden. Maar ook haar dankbaarheid voor een materieel onbezorgd leven, voor zijn toewijding, voor zijn natuurlijke en ongecompliceerde liefde. Hij herinnert zich haar goede zorgen, het feilloze huishouden, waarin het goed was te leven; ook de tientallen kleine gebeurtenissen, soms jaren geleden, niet langer geduurd hebbend dan enkele minuten.
Het besef van voorbij overvalt hem en een grote angst is in hem. Hij rent naar buiten zonder hoed of stok, hij knoopt zijn jas geheel open en star tegen de wind, met fladderende panden loopt hij de stad uit, naar buiten langs de rivier en hij dwaalt uur na uur, niets ziende, alleen binnen in zijn kop het beeld van zijn Neeltje op haar doodsbed.
Het is reeds avond en nog dwaalt hij op Fijenoord en Katendrecht, gevaarlijk dicht langs de oevers van de Maas. Waarom komt er geen antwoord op zijn gedachten, die vragen om mee te gaan op Neeltjes grote reis. Waarom hier nog dwalen, nog zorgen, nog eten of drinken?
Niemand ter wereld is hem meer na. Niets is er meer dan ‘mijnheer’ Van Sliedrecht. Wat betekenen zijn schepen, zijn geld en de factorijen? Die zijn niet eeuwig; en wat is eeuwig? God is eeuwig, deze woorden uit de Schrift komen in zijn gedachten. Maar niet voor hem is deze God, zoals de Joden hem beschreven. Nu, nu wil hij het wel bekennen en het uitschreeuwen: deze God is niet de zijne, want hij heeft er geen. Er zijn andere dingen, die hem beheersen en doorhuiveren: dat zijn de zee en de wind. Dat zijn de góden van deze, nimmer gekerstende, Viking.
De maan legt haar zilveren licht over de rivier en de polders en alles is onwezenlijk helder; de blinkerende golfjes; die onhoorbaar voortzeilende schepen, als door een onzichtbare hand geschoven; de zwarte slagschaduwen van de enkele woning aan de overkant. Ginds stijgt langzaam een witte nevel op, een lichte wind waait om zijn grijze haren. Opeens is hij zich bewust, dat hij niet naar huis durft, dat bij nooit meer naar huis zou willen gaan.
Langzaam loopt hij naar de rivier, het water trekt, de schepen wenken. Hij voelt de koude niet van het water dat hem reeds tot
160