‘Kom, kom, wij hebben elkaar hier ook soms maanden niet gezien.’
‘Dat is wel zo, maar ik wist dat je hier was en dat, met een beetje geluk, ik je iedere dag zou kunnen ontmoeten; dat als ik wilde, ik ook naar je toe zou kunnen komen. Maar nu blijf ik alleen en jij bent duizenden kilometers ver.’
‘Alleen? Jannetje, en je man en je zoon?’
Isaac neemt zijn kleine wraak over Jannetjes opmerking over EU.
‘Wat jij zoeven gezegd hebt, Isaac, laat dat ook mijn antwoord zijn.’
Beiden zitten dan weer stilletjes naar buiten te turen totdat Isaac vraagt:
‘Wil je iets eten of drinken?’
Jannetje schrikt en staat op.
‘Hoe laat is het, Isaac?’
'Het is halftien geweest, moet je weg?’
‘ja, ja, direct. Om tien uur moet ik thuis zijn. Ik heb Bas verteld dat ik naar mijn zuster ging en hij is gewend dat ik tijdig terug ben.’
Haastig schikt Jannetje haar sjaal en knoopt haar korte manteltje dicht, haar luifelhoed bengelt aan de banden aan haar arm. Verontschuldigend zegt zij:
‘Ik kan nu geen hoed velen, hij drukt als lood op mijn moede hoofd.’
Dan reikt zij Isaac de hand die hij lang vasthoudt, terwijl hij haar diep in de ogen kijkt.
‘Goede reis, mijn jongen en gezond terug.’
‘God zegen je, mijn Jannetje.’
Langzaam trekt Jannetje haar hand terug en gaat naar de deur, Isaac volgt haar. Dan draait zij zich nog eenmaal naar hem om en vraagt met grote spanning in de ogen:
‘En Eli?’
‘Ik zal EU niet verbieden naar je zuster Martha te gaan en daar kom je dan maar heel veel.’
Jannetje lacht dan, opent vlug haar reticule, neemt haar kerkboekje en terwijl ze dit Isaac in de handen duwt, zegt zij:
‘Met ons gepraat heb ik dit haast vergeten. Draag het bij je, het zal je beschermen.’
Dan opent ze snel de kamerdeur en ruist met haar crinoüne lang»
158