‘Eli is mijn plicht en mijn zorg tot hij een man geworden is en een gezin heeft gesticht. Mijn leven ben jij.’
Isaac is weer gaan zitten en heeft Jannetjes handen in de zijne genomen, en beiden staren over de woelige rivier. Na lange tijd vraagt Jannetje:
‘Ben je goed verzorgd?’
‘Ik ben het product van een feilloos verzorgingsmechaniek, Jannetje.’
De Fuentes’ toon is luchtiger geworden, hij glimlacht weer. ‘Isaac, ik heb gemerkt dat je er niet meer zo verzorgd uitziet als vroeger, dat moet je niet doen, dat past niet bij je.’ Verwonderd kijkt de Fuentes haar aan:
‘Ik heb daar niet zo op gelet, Jannetje en wat doet het er eigenlijk toe?’
‘Ik heb je al gezegd dat het niet bij je past, Isaac. Ik heb altijd een gaaf beeld van jou voor ogen en ik kan er niet tegen dat er iets aan haperen gaat. Beloof mij dat je jezelf niet verwaarlozen zult?’ ‘Ik zal er op letten,’ zegt de Fuentes onwillig. Het treft hem pijnlijk dat Jannetjes scherpe ogen het hebben gezien en dat zij hem tot zichzelf moet roepen.
‘Zul je voorzichtig zijn daar in de vreemde? Er zwerft zo veel slecht volk in de nieuwe wereld,’ vervolgt zij bezorgd. ‘Moedertje, moedertje, is dit mijn eerste reis in mijn leven?’ ‘Nee, nee, maar ik ken je. Je bent zo gauw geneigd om te helpen en haast iedereen aast op geld en jij kunt zonder weelde niet meer leven.’
‘Ook daar zal ik op letten, Jannetje lief. Mijn gemoedstoestand is nu niet zodanig meer om vlot met anderen kennis te willen maken. Weet je, soms haat ik alles en iedereen en zou alleen willen zijn, heei ver weg, in ruwe onontgonnen streken.’ Jannetje kijkt hem lang en scherp aan. Nerveus frommelt zij haar zakdoekje tot een bal. Isaac heeft het bemerkt, neemt baar hand weer in de zijne en terwijl hij er met de andere kleine klopjes op geeft zegt hij:
‘Heb geen zorg, meisje, ik kom terug want ik moet je altijd weerzien en mijn plaats is bij Eli.’
‘Blijf je lang weg?’
‘Wellicht een klein jaar.’
‘Een klein jaar, waarom zo lang? Dat wordt een sombere tijd voor me.’
157