iets vragen, maar de een laat het voor de ander. Zij gluren elkaar aan en wanneer hun blikken zich kruisen dan slaan ze deze snel neer. Isaac heeft innerlijk pret doch na korte tijd helpt hij hen uit de moeilijkheid en zegt alleen:
‘Ik zal naar Jozef omzien.’
jacob is er stil en klein van. Tranen springen in Rebecca’s ogen en haar stem is schor wanneer zij, zich verontschuldigend, de kamer verlaat. Isaac en Jacob zijn spoedig weer in gesprek gewikkeld over de rede van Jabotinsky en op Jacobs vraag naar de Fuentes’ oordeel kan hij slechts zeggen na zijn reis naar Amerika te kunnen mededelen of hij een volgeling van Jabotinsky kan worden.
Argwanend heeft de kerkvoogd zijn vriend aangekeken en gezegd:
‘Isaac, of de Messias al of niet is verschenen kan een strijdvraag zijn, maar Zion te ruilen voor een andere strook grond op deze aarde, dat is voor ons onaanvaardbaar.’
Dan verschijnt Rebecca weer in de huiskamer. Zij heeft een grote reistas meegebracht en zij verzoekt de Fuentes deze aan Jozef te geven, indien hij hem ooit in Amerika mocht ontmoeten. De Fuentes heeft het beloofd en jacob zal morgen de tas door een kruier aan boord van het schip doen brengen. Dan nemen zij afscheid en de zegen voor zijn reis die de kerkvoogd uitspreekt, voelt Isaac tot in zijn diepste innerlijk als de zegen van een vader.
De avond voor Isaacs vertrek komt Jannetje bij hem. De Fuentes is zeer verbaasd wanneer een gejaagde, schichtige Jannetje plotseling in zijn woonkamer staat. Flaast onwillig zet ze zich op de aangeboden stoel bij het venster, waar Isaac op deze mooie lichte zomeravond zat. Beiden zeggen eerst niets en staren over het water. Het is Isaac die de stilte verbreekt met één woord: ‘Jannetje?’
Ze slikt nerveus en vraagt dan:
‘Waarom komt Eli niet bij mij?’
Langzaam schudt Isaac het hoofd:
‘Waarom zou Eli bij Bas Batelaan inwonen, Jannetje? Je hebt je gezin en daarin past niets van Isaac de Fuentes.’
‘Was Bas Batelaan hier huishoudster en een moeder voor je kind, Isaac?’
155