hun kindere in wone, arme oude mense, die van een houten nap motte ete, omdat ze bang benne dat het dure porseleine bord uit onze oude hande in gruzels zal valle. Zegen op zijn hoofd, zoals hij gesproke het. Als ik jong was, meheer Tzak, dan gong ik, dan wier ik boer op een stukkie eigen grond, waar ze me dan ook later mosten begraven. Hij het goed gezeg: in die grond hore we te ligge, bij Abraham en Sara en Izak en Rebecca en bij Jacob en Rachel. Allenig de Thora - en het verhaal van ons ongeluk - is ons nog over gebieve en de verbanning en de doling. Waarom het het Opperwezen het zo gerich? Benne wij slechter dan andere volkeren? Benne wij misdadigers? Nee, meheer Tzak, dat benne we niet. Als de wereld ons duldt, maar ons toch liever niet hep, waarom geef die wereld ons dan niet een plek ware we onder ons kenne zijn en ons eige leventje leve, naar onze cige inzichte? De rijke onder ons, die benne verblind. Geld heb ik niet, dat weet U wel, meheer Izak, want de gemeente houdt me in leve en geef me de menoege van een sigaar. Maar ik heb een goude horloge van me vader zaliger en een ring met een steen van me moeder zaliger en die krijge ze voor d'r kolonies, nu, bij me leve. Ik geef het nou weg opdat ik weet waaraan het wordt besteed. Van mijn zaad zal er niet zijn in Jerusalem omdat alles om me heen is weggestorven; maar dat hindert niks, want me benne toch allemaal van éne moeder, van Rachel.’
Dan zwijgt Bennie Alter weer en rookt met genoegen zijn sigaar. Isaac wil opstaan om zich naar huis te begeven, als Jacob David-son met korte driftige pasjes zich een weg baant door de menigte en naar zijn tafeltje toekomt. Hij begroet Isaac een beetje gewichtig en de Fuentes merkt op dat Jacob zich hedenavond weer geheel de kerkvoogd te midden der gemeente voelt; dan vindt Isaac hem minder sympathiek. Hij glimlacht daarom onwillekeurig een beetje hoogmoedig welwillend. Jacob Davidson knikt en groet kort en gehaast naar Bennie Alter. Bennie wuift vriéndelijk en majesteitelijk terug, de sigaar stevig tussen de tanden geklemd en vol behagen een grote rookwolk er langs heen blazend. ‘En,’ vraagt Jacob, ‘wat denk je ervan, Isaac?’
De Fuentes haalt de schouders op:
‘Och, ik zal geld geven, Jacob, daarmee koop ik mij bij voorbaat vrij om een mening te moeten hebben.’
‘Je bent het dus niet met hem eens?’
‘Nog niet eens en nog niet oneens. Ik moet er over denken, Jacob.’
151