Dan roept een stem ‘maak licht’ en de zaalbedienden snellen toe met brandende kaarsen, luchters en petroleumlampen. Men ziet het spreekgestoelte ledig: Daniël Jabotinsky is verdwenen.
De onderlinge gesprekken en debatten beginnen.
Iedereen verlangt iets te drinken en de bladen met koppen koffie, glazen bier en jenever zijn in een ommezien leeg. Men voelt zich tevreden. Dat is nu eens een avond zoals het leven er maar weinig schenkt. Men kan zich gewichtig voelen, zijn mening uiten, zijn eigen stem liefkozend horen in keurig debat of aandachtig beluisterde monoloog. Men maakt kennis met de ongenaakbaar schijnenden, men heeft het gevoel met eerbied en respect te worden bejegend door hem, op wie men indruk heeft gemaakt. Isaac de Fuentes zit stil rokend aan zijn tafeltje en drinkt langzaam zijn koffie. Men heeft het nog niet gewaagd zijn oordeel te vragen of met hem te debatteren; men heeft hem alleen veelvuldig en buigend gegroet. Het gevoel van saamhorigheid is hedenavond wel groot maar voor velen nog niet groot genoeg om deze eenzame, rijke en invloedrijke man zo maar aan te spreken als een gelijke. F.én is er, die het nu waagt of eigenlijk waagt hij het niet want er is voor hem niets angstaanjagends in de heer de Fuentes. Het is oeroude Bennie Alter die zich sloffend een weg baant naar Isaacs tafeltje en er zich neerzet met een gemoedelijk:
‘U permitteert een oude man te zitten, meheer Izak?’
Isaac knikt hem welwillend toe en geeft hem een hand. Bennie is nog ouder geworden, hij ziet er nog antieker uit, haast legendarisch. Hij heeft zijn Sjabbespak aan, is geschoren en zijn bakkebaarden en haar zijn zorgvuldig gekamd. Zoals hij daar nu zit verpersoonlijkt hij de respect-afdwingende ouderdom, de tot materie geworden levensstorm. Breed en gezellig diept hij uit een pand van zijn jas een sigarendoos en biedt Isaac de Fuentes een sigaar aan. De hoffelijke Isaac dooft de zijne en neemt hem gaarne. Behaaglijk doet Bennie Alter de eerste trekken. Isaac kijkt hem tersluiks aan en een gedachte welt in hem op, een wens om ook zo tevreden zijn sigaar te mogen roken in het laatste kwartier van zijn levensdag.
‘Wat een sjproch, meheer Izak, wat een sjmoezer,’ begint Bennie Alter het gesprek. ‘Maar gelijk het ie. Benne we niet zoals die zegt, verschroppelingen, genadebroodeters? Me benne het oudste volk onder de volkeren en me benne net als oude mense die bij
150