handel en wandel, kent de zorgen niet van dit arme marskramende volk, dat zich staande houdt onder willekeur en afpersing, dit fanatieke, gelovige volk der Joden van Oost-Europa.
Het is verre van mij te toornen tegen Gods inzettingen en U Uw plaats en Uw welvaart te benijden, maar het is wel geoorloofd te zoeken naar de zin van Gods instellingen en dan te twijfelen aan het juiste inzicht van U, die in deze Westerse landen woont. Met volle en milde hand heeft de Schepper rijkdommen opgetast in deze aarde en haar het vermogen gegeven van het eeuwige vóórtbrengen. Hij heeft het verspreid over de gehele bol en Hij heeft daarmede Zijn Wil aangeduid; dat het over die gehele oppervlakte gebruikt zal worden gelijkelijk voor een ieder. Nochtans Zijn Wil wordt niet geëerbiedigd; velen onder U garen als hamsters, slepen alles naar ene hoop, de hunne. En wat gij vergaart en optast dat gaat in mindering van een ander, want het totaal van het gegevene verandert nimmer. Daarom, wat gij hier te veel hebt, dat heeft Uw volk in Oost-Europa te min. Iedere hap die gij eet en die gij over hebt, ieder kledingstuk dat gij dubbel hebt, ieder buis dat groter is, dan nodig om U tegen weer en wind te beschermen, ieder van deze dingen komt men daar in evenredigheid te kort. Wanneer gij straks eten zult en een bete blijft op Uw schotel dan zeg ik U dat daar in de verte een ander verhongert en dat die hap genoeg zou zijn om zijn honger te stillen. Wanneer gij morgen een kleed zult laten maken terwijl gij er reeds vele hebt, dan zeg ik U, dat ginds een kind huilt van koude en innig gelukkig zou zijn wanneer het dat kleed had. En wanneer gij in Uw huis zult rondgaan, in Uw salon of Uw grote slaapkamer, dan zeg ik U dat daar mensen hokken in krotten, velen in één ruimte, die zeer klein is en bouwvallig en tochtig. Gij Joden in overvloed, ik heb U gezegd ik ben een schnorrer, een hoogmoedige, eisende bedelaar, die zijn voet tussen de deur zet en U bedreigt. Ik ontzeg U het recht en ik ontken het privilege om meer te willen zijn dan wij uit het Oosten. Ik protesteer ertegen en ik kan er U om haten, dat gij leeft in zelfgenoegzaamheid, dat gij niet denkt en kommert om ons, dat gij niet weet en niet verlangt te weten hoe wij leven en hoe wij sterven. Dat gij niet weet of dat gij Uw ogen sluit voor onze armoede en onze onderdrukking, dat gij die doodskreten niet hoort uit de pogrom, dat gij een ander volk wilt zijn dan het volk dat gij zijt. Een volk in verbanning, een volk zonder land en zonder vorst.
146