Eén ding hebben wij gemeen. Dat is onze geschiedenis, maar de geest van dat verhaal is voor ons groter dan voor U, want ik zag velen onder U die het niet van node hebben. Wij daarentegen, wij leven voor deze geschiedenis, ja, velen onder ons zelfs meer voor dit dan voor hun eigen kinderen. Waarom? In onze harten leeft de hoop, heel diep in het donker, heel ver weg, dat nog eenmaal de dag zal komen, dat onze verbanning ten einde zal zijn en wij zullen kunnen teruggaan naar dat land, ons land. Gij voelt dat niet, want Uw blik is troebel door Uw weelde.
Wat zegt U ‘vaderland,’ wanneer gij een nieuw vaderland hebt; wat zegt U ‘wet’ en ‘orde’ wanneer gij leeft onder een goede wet en prachtige orde; wat zegt U ‘verbanning’ wanneer gij die niet voelt, wanneer gij leeft onder een volk als zijfis gelijken, als één hunner, gelijk aan lasten, gelijk aan lusten, gelijk aan gewin, gelijk aan burgerdom.
Voor velen Uwer zijn mijn woorden een gruwel, een belediging, een onrust, een verraad. Zij vertellen mij dat zij geen Joden meer zijn, dat zij in tweeduizend jaar zijn opgegaan in de volken; alleen hun wijze van God te dienen is anders. Ik, Oosterse Jood, ik kan dat niet voelen; voor ons zijn de levensomstandigheden zo gans anders geweest dan hier. Maar, terecht of ten onrechte, er is iets dat U nog bindt aan ons, onzichtbaar, subtiel. Dat zijn de wetten, de instellingen die op de Sinai gegeven zijn. De wetten gebieden U als goed mens te leven, ze gebieden U barmhartigheid en milddadigheid. Hierop beroep ik mij, ik bedelaar uit Oost-Europa. Onze verbanning, onze onderdrukking, ons vuile leven, moet een einde nemen door Uw hulp! Wat denkt gij dat de zin is van Uw welvaart en Uw bezitsmacht? Slechts ten dele, ten heel kleinen dele is Uw bezit voor U; voor het grootste deel zijt gij slechts leenman bij onze grote Leenheer. Gij zult zeggen; wat weet gij van de bedoelingen van het Opperwezen? Wat weet gij of het Hem welgevallig is dat onze ballingschap een einde neemt? Weet gij op welke manier Hij U en ons wil terugvoeren naar ons land Zion. Weet gij of gij uitverkoren zijt om overste over ons te zijn, tot ons te spreken en ons te doen handelen?
Neen, mijn toehoorders, ik weet dat alles niet. Ik kan alleen tasten, zoeken en hopen, dat de weg, die ik en ginds vele anderen met mij gaan, de juiste is. In mijn lange korte leven heb ik veel ervaren, veel geschiedenissen heb ik doorvorst en ik bevond
147