Isaac zwijgt. Jacob zit klein en ineengedoken in zijn stoel en staart ontzet naar deze oorlogsman als naar een wezen uit een andere wereld, die geheel buiten zijn denken en gevoelens ligt. Dan begint hij te zinnen, hij doorvorst zijn weten om in de Thora en de Talmud een uitspraak te vinden dat deze man gerecht is. Hij vindt er geen. Zijn nervositeit versluiert zijn denken. Dan kijkt Isaac hem plotseling aan:
‘Jacob, wanneer ik een Synagoge laat bouwen en een volledige wetsrol schrijven en nieuwe sierselen schenk zal mijn eer dan weer hersteld zijn zonder de schulderkenning van Lachowitzky?’ ‘Nee,’ antwoordt Jacob zacht, ‘alleen het woord van Lachowitzky kan je van schuld vrijspreken.’
Jacob is opgestaan, ook Isaac. Langzaam en stil schudden zij elkaar de hand en de kleine grijze Godgeleerde is zo waardig in zijn gang naar de deur dat het schijnt of de forse, dominerende Isaac hem slechts eerbiedig en onderdanig volgt. ‘Goedennacht, Isaac.’
‘Goedennacht, Jacob, tot morgen.’
Het optreden van Daniël Jabotinsky in de Nutszaal is niet geheel zonder berekenend effect. De zaal is duister, slechts het toneel is door petroleumvoetlichten somber verlicht. Wanneer hij zijn plaats achter het spreekgestoelte heeft ingenomen, ontsteekt men twee kaarsen voor hem. Zij werpen een vreemd schijnsel op dit blinde gezicht en wanneer het naar de zaal is gewend zien de toehoorders een angstwekkende, baardige, ogenloze doodskop. Muisstil ziet de, meest met mannen gevulde, stampvolle zaal naar hem op, wanneer hij met langzaam gebaar de mouwen van zijn zwarte kleed opslaat en de beide handen de zijkanten van het kathederblad vastpakken als vogclklauwen een tak. Dan begint hij zijn rede in het Duits, zonder groet, zonder hoffelijkheid, zonder conventies. Als een siangetong, die met onverwachte felheid uit de bek schiet, zo sist het eerste woord uit die spleet, zijn mond.
'Gij Joden van het goede leven, ziet toe. Voor U staat een schnorrer, een bedelaar voor zijn volk, een bedelaar voor hun kindskinderen.
Gij, goed gevoeden en warm gekleden, gij verzorgden, gij weet niet van honger en lompen, van vuil en luizen. Gij, die woont in kastelen, kent de tochtige bouwvallen niet, gij die vrij zijt in
145