gevangenschap in dat onmetelijke land. Langzamerhand zakten zij af naar de door ons gevormde kern en het zag ernaar uit dat ik met het grootste deel van de troep zou kunnen wegtrekken. Maar opeens kwam het nogmaals over hen, toen zij het onbeschadigde raadhuis en de synagoge zagen. Wat nimmer was voorgekomen en ook nimmer meer bij mij is gebeurd, zij verloren het respect voor de meerdere in hun midden en onder mijn ogen gingen de beide huizen in brand. Jacob, Jacob, wat bezielt de mens, wat wil het Opperwezen?
Daar rent, als dol geworden, de Rebbe op het Godshuis toe. Waar vandaan, dat wist niemand; hij viel en struikelde het fel-brandende gebouw binnen. De troep lachte, gierde om de oude man in zijn wapperende kaftan. Het werd mij te veel, Jacob, met de sabel heb ik de kerels opzij geranseld om de oude heer te kunnen volgen en te redden. Het heeft niet mogen zijn; de gloed was te fel, de ingang al versperd door vuur en rook. Opeens verscheen de oude Rebbe weer in de deuropening en had de wetsrol in de armen; de naakte thora zonder siermantels of zilveren torens. Zijn kleren brandden, de wetsrol brandde en in de deuropening zonk hij op de knieën, de thorarol viel voor hem op de grond. Hij hief de armen ten hemel en zijn doodskreet was: ‘Shaddai’, niets anders, Jacob, alleen het merg en been doordringende: ‘Almachtige’. Toen, terwijl hij brandde en het hoofd langzaam op de borst zakte, zei hij voor zichzelf het doodsgebed: ‘Hoort, Israël!, de Eeuwige, onze God, is een enig, eeuwig Wezen!’
Dat was het einde, Jacob. De mannen waren verstomd door de aanblik van deze Rebbe, die lag te sterven over zijn wetsrol. Met gevaar voor ons leven hebben wij zijn half verkoold lichaam weggetrokken en begraven onder stenen, omdat de grond te hard was voor een graf. Daar rust hij nu met zijn wetsrol op de bodem van de verbrande sjoel. Als gestrafte kinderen ziin wij stil weggetrokken; alléén ik heb Frankrijk levend teruggezien.’ Langzaam veegt Isaac de Fuentes met zijn zakdoek over zijn voorhoofd en tersluiks over de ogen. De herinnering heeft hem sterk aangegrepen.
‘Jacob, ik ben verantwoordelijk geweest voor deze mannen, ik heb het dus gedaan; maar eerloos ben ik niet, want niet ik heb mijn woord gebroken maar Lachowitzky, die de Kozakken over ons bracht en de overeenkomst verbrak.’
144