Maar Isaac heeft toen opgemerkt, dat Jannetje in de verte staarde en dat haar stem dof klonk. Ook heeft hij gezien, dat Jannetje de oude niet meer was. Haar gezicht was magerder geworden, een paar harde lijnen begonnen zich te tekenen van de neusvleugels naar de mondhoeken, het verleidelijke onderkinnetje was weg, haar mooie haar krulde niet meer en werd grijs. Alleen de ogen waren gebleven, die klare grijsblauwe ogen met de wisselende tinten en gemoedsuitingen.
Dit beeld van Jannetje laat Isaac niet meer los. Na twee jaar is zijn verlangen heftiger dan ooit. Hij voelt zich ziek, neerslachtig en radeloos. Zelfs Eli kan hem niet meer afleiden, hoewel de jongen daarvoor ruimschoots de gelegenheid biedt. Urenlang wandelt hij door Rotterdams straten en langs de havens, ogenschijnlijk zeer belangstellend naar alles wat daar gebeurt; in werkelijkheid is hij afwezig en met zijn gedachten bij Jannetje. Hoe leeft zij, wat doet zij, hoe is die Bas Batelaan voor haar? Niemand die het hem kan vertellen, want geen mens uit zijn omgeving komt in Batelaans huis, omdat hij stug in de omgang ■is en een onvriendelijk gastheer. Bij Isaacs gemoedstoestand komt nog, dat velen van zijn vrienden uit de stad vertrokken zijn. Sommigen zijn dood en weer anderen vervreemd van de veranderde Isaac. Zijn beste vriend Anatole Daumer heeft hij nog maar zelden bezocht; Madeleine heeft hij in twee jaar niet gezien omdat hij haar de schuld gaf van het gebeurde met Jannetje. Anatole heeft hem iedere keer weer voorgehouden dat Madeleine onschuldig is en hem alléén gewaarschuwd heeft om naar huis te komen om nog tijdig te kunnen ingrijpen. Isaac heeft hiervan niet willen horen, maar toch is hij in de laatste dagen Anatoles zienswijze gaan waarderen en een verlangen om deze oude vrienden weer eens te bezoeken is in hem opgekomen. Jacob en de zijnen heeft hij in maanden niet gezien. Alleen Piet van Sliedrecht ziet hij geregeld en ook Piet is de oude niet meer door de ziekte van zijn vrouw.
Het is in deze, van vele zijden cn door vele factoren aan-gewakkerde sombere stemming, dat hij in de maand Juni 1845 bij Piet op kantoor komt.
‘Piet,’ zegt hij, ‘ik wil hier weg.’
‘Niet zo stormachtig, jonge borst,’ gekscheert Piet, terwijl hij Isaac gemoedelijk en gul een prachtige sigaar in de hand stopt. Dan ernstiger, terwijl hij hem scherp aankijkt:
135