Isaäc de Fuentes

Titel
Isaäc de Fuentes

Jaar
1952

Pagina's
324



hals en de zware blonde haarkrullen. Jannetje zegt niets. Ze staat er alleen maar, bleek en onbeweeglijk. Haar zakdoekje met de vuist tegen de mond gedrukt, de linkerarm slap langs haar lichaam.

Het is alles zo anders dan Isaac de Fuentes het zoeven gedacht heeft. Hij grijpt moedeloos Jannetjes hand en drukt de rug tegen zijn wang; in stede van zijn lange aanspraken komt een zacht, hees en treurig: ‘Waarom Jannetje?’

Tranen begeleiden Jannetjes: ‘Ik weet het niet.’

Isaac vraagt haar niet te gaan zitten. Het is hem en blijkbaar ook haar prettiger zo. Zij behoeven elkander niet aan te zien, hun half gefluisterde woorden fladderen door de kamer, bereiken hun oren en hun begrippen. Het is alsof zij elkander van uit een andere wereld toespreken en het is hun voldoende en geeft hun rust. ‘Drie jaar heb ik gediend, verlangd, gewacht. Isaac. Ik ben een vrouw voor je geweest zonder je vrouw te zijn. Ik ben een moeder voor je kind geweest, als wras het van mij. Ik heb je in stilte aanbeden, maar je hebt het niet gezien of niet willen zien. Ik heb gedacht, dat ik nimmer los zou komen van de herinnering aan Jan, maar Jan is geheel uit mijn gedachten en gevoelens weggevaagd en ik heb in mijn eenzaamheid geschreeuwd om je liefde, om je lichaam, om kinderen van jou. Dat is nu voorbij, Isaac.’

Doodstil staart hij in de vlammen. Krampachtig drukt hij Jannetjes hand nog tegen zijn wang, dan fluistert hij, terwijl zijn ogen vochtig worden: ‘Jannetje, Jannetje, ik, ezel die ik ben. Ik heb dat niet gezien en nu is dat alles verscheurd door die zeeman Bas Batelaan.’

‘Nee, Isaac, niet door Bas Batelaan. Het is verscheurd door je onverschilligheid voor mij, door je egoïsme, door je belangstelling in alles en iedereen, door je blindheid voor je warme, bloedwarme, maar angstige Jannetje. Bas Batelaan is voor mij het anker en niet de droom voor mijn verder leven.’

‘Jannetje, ik heb zo lang vastgezeten aan de herinnering aan Ester en nog kan ik mij niet loszeggen.’

‘Ik heb dit wel gedaan. Ik heb gevochten tegen mijn herinneringen, gevochten tegen God om de zonde die ik beging om naar je te verlangen. Is mijn offer minder dan het jouwe geweest zou zijn, Isaac?’

‘Nee Jannetje, er is iets in mij, ik weet het niet te zeggen.

128

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.