waarvoor hij naar Bas Batelaan komt en deze wacht rustig, al zouden het uren zijn.
‘Ik wilde Uw schip eens zien, kapitein, na zo’n lange reis zijn er wellicht wensen Uwerzijds.’
Bas Batelaan is verwonderd. Het is de gewoonte niet bij de heren Piet van Sliedrecht en Compagnie om op deze wijze wensen van hun kapiteins in ontvangst te nemen.
‘Ik heb mijn wensen kenbaar gemaakt aan de reder. Het schip zal ik U laten zien.’ Zwijgend toont Bas Batelaan aan Isaac zijn schip; als deze niets vraagt, zegt Bas ook niets. Het duurt niet lang of Isaac is weer bij de valreep om van boord te gaan. Er heeft zich geen gelegenheid voorgedaan om met Batelaan tot een gesprek te komen.
‘Wanneer vertrekt U weer, kapitein?’
‘Dat zult U mij kunnen mededelen.’
‘Heeft de reder U nog niets gezegd?’
‘Neen, mijn plan is om niet meer uit te varen. Eén reis wil ik echter nog maken als de reder dit vraagt.’
‘Trekt de zee U niet meer, kapitein?’
‘Nee, na vijf en dertig jaar heb ik genoeg.’
‘Zult U wel kunnen wennen onder ons landrotten?’
‘Dat zal ik.’ Bas Batelaan kijkt Isaac scherp aan en vervolgt grimmig spottend:
‘Weest onbezorgd, Heer de Fuentes, ik zal wennen. Ik zal goed leven, ik zal zelfs trouwen. Het ga U goed, Heer de Fuentes en wees voorzichtig wanneer U gaat afdalen.’
Bas Batelaan heeft ‘afdalen’ beklemtoond en hij kijkt waarschuwend en verwijtend naar zijn broodheer. Dan draait de kapitein zich om en met lange soepele passen keert hij terug naar zijn hut.
Het gesprek met jannetje moet komen. Diezelfde dag nog, bedenkt Isaiic als hij langzaam stadwaarts gaat. Hij wil zo laat mogelijk thuiskomen, liefst geheel niet, maar hij ziet de onmogelijkheid ervan in.
Toch weet hij zijn terugkeer nog te rekken tot acht uur in de avond door een bezoek te brengen aan Jacob Davidson, die hem ontvangt in zijn intieme studeervertrek te midden van Hebreeuwse boeken en wetsrollen. De kleine man is zeer verheugd en zijn fanatieke redevoering tot Isaac om hem terug te brengen naar
126