paar. Ook ik heb jullie bewonderend nagestaard die enkele keer, dat ik je ontmoette op de zeldzame wandelingen, die je met Jannetje en Eli maakte. We hebben allen de verering gezien op Jannetjes gezicht en soms de zachte overgave waarmede zij naar je keek, als je tot haar sprak. Ik dacht, dat Jannetje reeds je vrouw was, omdat mijn natuur zich dit haast nier anders kan indenken. Nu je mij echter gezegd hebt, clat dit niet zo is moet ik concluderen dat Jannetje als vrouw voor jou verloren is, want teleurstelling sluit het gemoed van een vrouw met stalen deuren en grendels. Probeer niets, Isaac, niets helpt, alleen drama’s zouden eruit kunnen voortvloeien.’
‘Dat kan ik niet, dat kan ik zo niet aanvaarden.’ Isaacs antwoord is haast te hartstochtelijk voor een man van zijn leeftijd.
‘Je zult het moeten nemen. Wellicht houdt zij van Batelaan slechts heel matig, maar zij waardeert hem zeker als man en beschermer en tenslotte is het voor een vrouw onverschillig waarmede ze een man treft, die ze treden wil. Het enige waar je nog gevaar mee loopt, is je te vernederen voor Jannetje. Wanneer dat doel had en je haar terug kon winnen, zou ik het je zelfs nog aanraden, want ze is het waard. Maar het is doelloos. Doelloos. Je verliest dan beiden, jannetje en je waardigheid.’ Piet heeft voor zijn doen heftig gesproken, éen verlies is in zijn ogen genoeg in één affaire.
Beiden zwijgen, Piets ogen dwalen naar buiten over de Wijnhaven. Hij voelt, dat Isaac naar hem kijkt en wanneer hij zijn blik naar hem toe wendt, schrikt hij. Daar zit een man met borende, gloeiende en hatende ogen. Een bijna jonge, donkere man, een vreemdeling, een zuiderling.
Piet van Sliedrecht staart onthutst naar deze, nu haast zwarte, vragende ogen en dit grote trouwhartige kind-der-zee verwerkt langzaam het stomme verzoek. Zijn ontzetting is verdwenen, wanneer hi] hem met schuwe, besliste stem zegt:
‘Bas Batelaan vaart niet meer uit!’
Isaac, de oude waardige de Fuentes staat stil op, wuift met Je hand tot afscheid en zijn rug is iets gebogen, als hij Piets kantoor verlaat.
De dag duurt lang voor de rusteloze de Fuentes, vooral omdat hij nog niet naar huis w’il gaan om de onvermijdelijke botsing met Jannetje zoveel mogelijk uit te stellen. Hij dwaalt door de stad naar de havens, schijnbaar doelloos, doch meer en meer
124