‘Uw rekening wijst een verpuind dorp aan, geroofd vee en graan, vrouwen en kinderen zonder voedsel en brandstof in een barre winter en als hoofdpost een uitgebrande synagoge met verscheurde wetsrollen. En een vermoorde rabbijn.’ Lachowitzky glimlacht, wanneer hij dit zegt en maakt een lichte sarcastische buiging.
‘Dat is oorlog,’ gromt Isaac.
‘En ik diende mijn geboortegrond.’ Lachowitzky vervolgt: ‘Een en twintig doden, zegt U, al waren het er een en twintig-honderd, ik heb geen spijt.’ Uitdagend heeft de Rus het gezegd. Zijn gezicht is nu heel anders, niet meer onbevangen jongensachtig, doch hard en honend. Anatole wil tussenbeide komen, terwijl Jannetje doodsul bij de schouw staat, angstig en zeer nieuwsgierig. Met een korte handbeweging wuift Isaac de bemiddeling van Anatole weg. Op dit moment heeft hij jaren gehoopt en het is onverwacht in zijn eigen huis gekomen.
‘U brak Uw woord.’ Isaacs stem is hees.
‘De prijs hiervoor heeft U veelvuldig genomen,’ antwoordt Lachowitzky snijdend. De Rus geeft geen kamp. Hij vervolgt: ‘Niet wij, maar gij waart de overweldigers, moordend en brandend zijt gij bij ons binnengevallen, geleid door een van de waanzinnigen, die men Groten der Geschiedenis noemt.’
‘Het gaat tussen U en mij, die als mannen een afspraak maakten en die U niet hield,’ zegt Isaac.
‘Een erecode vervalt, indien het gaat om het leven van weerloze vrouwen en kinderen. Waarom hen overleveren aan een zinloze slachting, omdat twee namen, Frankrijk en Rusland, door de machtspreuk van bandieten tot leven gewekt, zich als de lemen mens van rabbi Loew moordend op elkander storten?’ vraagt Lachowitzky langzaam.
‘Dat is niet tussen ons. Wij waren niet de lemen mens van de Praagse rabbi. Tussen U en mij was het fatsoen der burgers, de kleinen, die zich niet verloochenen wilden te midden van de horden. Weet U dat een staat is opgebouwd uit de millioenen moraliteiten zijner burgers? Begrijpt U, dat er geen gezonde staat kan zijn, wanneer die moraliteiten slecht zijn? En twee ongezonde staten, dat geeft ten laatste oorlog, mijnheer,’ is Isaacs beheerste antwoord.
‘De eerbied voor het leven en voor des mensen have is het enige, dat telkens beslist. Ik zal de handen kussen van hem, wiens mand
112